Opinie

Onze recordrijkdom zit in de trein en in de file

Menno Tamminga

Een nieuw record is in zicht. Recordrijkdom. De een associeert rijkdom met Dagobert Duck, een stripfiguur. De ander met de Quote 500, vol ondernemers en erfgenamen. Echte mensen, maar toch onbereikbaar. Zij zijn de uitschieters, de extremen. De gewone rijkdom? Waar zie je die? Die staat gewoon om u heen. Voor en achter u in de file. Of in een volle treincoupé.

Die gewone rijkdom is een eigen woning, die steeds verder in prijs stijgt. Van alle huishoudens heeft bijna 57 procent een eigen huis, kun je afleiden uit cijfers over de financiële vermogens van Nederlanders die het Centraal Bureau voor de Statistiek deze week publiceerde.

De cijfers beschrijven de stand van zaken per 2018. Het CBS zet de bezittingen (huizen, spaargeld, ondernemingsvermogen) en de schulden (zoals woninghypotheken) van 7,75 miljoen huishoudens op een rij. Het telt de pensioenvermogens (1.400 miljard euro) niet mee, omdat je die niet kunt verdelen over individuele huishoudens.

Lees ook dit achtergrondverhaal over de angst voor een huizencrash: Het grootste probleem ligt bij de huizenbezitters, dat weet DNB als geen ander

Inmiddels zijn twee generaties opgegroeid met het beeld dat een huis een zéker bezit is

De uitkomst van het sommetje: alle huishoudens samen waren begin 2018 rijker dan ooit. ‘Ons’ financieel vermogen minus schulden was 1.318.300.000.000 euro. Dat lijkt een record, maar is het niet. Er zijn de laatste jaren huizen bijgebouwd en die zijn duurder geworden. Maar de bevolking is ook gegroeid.

Nu die huishoudens toch op een rij zijn gezet, heeft het CBS de mensen gezocht die precies in het midden staan. Zij zijn, zoals statistici dat noemen, het mediane huishouden. Deze mediaan is de beste maatstaf als er enorme uitschieters zijn binnen het totaal. Aan het ene uiteinde heb je grote groepen met meer schulden dan bezittingen. Aan de andere kant staan de mensen met vermogens van vele miljarden euro’s.

Dat mediane huishouden had begin 2018 een vermogen van 38.400 euro. Dat was ruim 10.000 euro meer dan begin 2017. Zo snel kan het gaan. Maar het is nog steeds 8.500 euro minder dan aan het begin van het vorige piekjaar, 2008. Toch zou het zomaar kunnen dat die piek intussen is gepasseerd. Huizenprijzen zijn tussen begin 2018 en medio 2019 met een procent of 12 gestegen, terwijl de hypotheekschulden dálen. Gevolg: de vermogensgroei versnelt.

De vraag is: moet Nederland blij zijn met dit record? Ja. Het eigen huis is inmiddels, samen met het pensioen, de pijler onder het bestaan geworden van de middenklasse. Het eigen huis is daardoor tevens het symbool geworden van maatschappelijk succes. Het aspiratieniveau van jong en oud, ook nog eens fiscaal bevoordeeld door de overheid.

Inmiddels zijn twee generaties opgegroeid met het beeld dat een huis een zéker bezit is, misschien niet van jaar tot jaar, maar wel op de wat langere termijn. Vandaar dat mensen, aangemoedigd door de ultralage rente, huizen blijven kopen, of de prijzen nu op een piek staan of niet.

Er is ook een keerzijde aan die rijkdom van de middengroepen. Van de huishoudens heeft 43 procent géén eigen woning. Zij huren van woningcorporaties, die steeds meer geld mogen vragen voor hun huurwoning en als een melkkoe worden gebruikt door de politiek. Mensen die meer kunnen betalen, komen terecht op de onderontwikkelde markt voor middenhuurwoningen.

De wrevel over het tekort aan betaalbare woningen groeit. Het Sociaal en Cultureel Planbureau peilde onlangs dat 8 procent van de ondervraagden vindt dat betaalbare huisvesting politieke prioriteit moet krijgen. Twee jaar geleden zei maar 3 procent dat. De grafiek bij deze cijfers oogt als die van de huizenprijzen. Met één verschil: de onvrede groeit nóg harder.

Maarten Schinkel is afwezig.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.