Recensie

Recensie Beeldende kunst

Marcel Broodthaers’ satire is pijnlijk actueel

Tentoonstelling Marcel Broodthaers begon als dichter en werd later beeldend kunstenaar. Het MuHKA in Antwerpen focust op de politieke dimensie van zijn werk, maar op de expositie ontbreekt helaas het kolderieke gevoel van de jaren zestig.

Marcel Broodthaers, Décor: A Conquest by Marcel Broodthaers, 1975. V-A-C Collection.
Marcel Broodthaers, Décor: A Conquest by Marcel Broodthaers, 1975. V-A-C Collection. Foto MuHKA

Het is een typisch Broodthaersiaans woordgrapje: op een bestaand educatief plaatje van de zon en enkele planeten schreef Marcel Broodthaers in 1972 ‘politique’ achter het woord ‘Soleil’. Ook kraste hij met zwarte inkt de aarde weg. Met die simpele ingreep stelde hij in één klap de machtsverhoudingen in het universum op scherp: wie is hier nu echt de baas?

Soleil Politique is ook de titel van de tentoonstelling van Marcel Broodthaers die nu te zien is in het MuHKA in Antwerpen. De expositie focust op de „politieke dimensies” in zijn werk, die volgens het museum altijd wat onderbelicht zijn gebleven. Er was de afgelopen jaren al een grote rondreizende tentoonstelling over Broodthaers, georganiseerd door het MoMA en het Reina Sofia. Het MuHKA kreeg dat retrospectief ook aangeboden, maar besloot, mede door de hoge kostprijs, toch een eigen expositie te maken vanuit een lokaal vertrekpunt: de tentoonstellingen die Broodthaers tussen 1966 en 1974 organiseerde bij de Antwerpse Wide White Space Gallery.

Marcel Broodthaers (1924-1976) begon zijn carrière als dichter en journalist. Hij schreef kunstkritieken, maar kon daar nauwelijks van rondkomen. Toen hij in 1963 in Parijs een tentoonstelling zag van de Amerikaanse pop-artkunstenaar George Segal besloot hij dat hij dat zelf beter kon. Voor een van zijn eerste werken, La Pense-Bête, goot hij een vijftigtal van zijn pas verschenen, onverkochte dichtbundels af in gips, alsof hij zo de dichter in hem wilde begraven. Als reactie op de Amerikaanse pop-art introduceerde hij lokale producten in het domein van de beeldende kunst: mosselen, eieren, bakstenen en friet.

„Ik ben nu al weer een hele tijd nergens goed voor”, zo is te lezen in een pamflet dat in 1964 verscheen bij zijn debuut als kunstenaar. „Ik ben reeds veertig jaar oud. Ook ik heb me afgevraagd of ik niet iets kon verkopen om te slagen in het leven. Uiteindelijk kwam ik op het idee om iets onoprechts uit te vinden en ben ik meteen aan de slag gegaan.” Dat onoprechts, dat was beeldende kunst. Broodthaers stortte zich vol ambitie op het maken van conceptuele objecten.

Marcel Broodthaers, Projection sur caisse, 1968. Foto MuHKA

Musea als politieke macht

Maar de poëzie bleef altijd aanwezig in Broodthaers’ beeldende werk. Hij zette haar in om kanttekeningen te plaatsen, bij de gevestigde orde, bij de politiek, bij de kunstmusea met hun eigen machtsstructuren. Hij schreef zijn commentaren op bestaande voorwerpen, signeerde bakstenen en sokkels met zijn initialen. Ook in zijn beelden bleef hij in de eerste plaats een taalkunstenaar.

In mei 1968 nam Broodthaers, die in zijn jonge jaren lid was geweest van de Communistische Partij, deel aan de bezetting van het Paleis voor Schone Kunsten in Antwerpen. Kort daarop begon hij in zijn eigen huis een museum, het Musee d’Art Moderne, Département des Aigles, dat vooral bestond uit lege transportkisten en ansichtkaarten van beroemde werken van Ingres, David en Delacroix. De grootste ‘vleugel’ van het museum was bestemd voor afbeeldingen van adelaars: symbolen van imperialisme en macht. Ook musea, zo wilde Broodthaers ermee zeggen, zijn instrumenten van politieke macht en commerciële marketing.

Marcel Broodthaers, Un Jardin d’Hiver II, 1974.
Foto MuHKA
Marcel Broodthaers, Un Jardin d’Hiver II, 1974.
Foto MuHKA

Van dat museum zijn in Antwerpen vooral de overblijfselen te zien, zoals de handgeschreven bordjes met teksten als: ‘Streng verboden op de werken te gaan’. In vitrines liggen de catalogi die Broodthaers uitgaf en de brieven die hij als museumdirecteur schreef. Er zijn tijdens de voorbereidingen van de tentoonstelling veel onbekende documenten opgedoken die hier voor het eerst te zien zijn. Het is veel leeswerk, maar het is ook een beetje saai. Broodthaers’ teksten zijn grappig en erudiet, maar ook vaak totaal ongrijpbaar.

De jaren zestig waren in de beeldende kunst het tijdperk van de meligheid. Denk aan Wim T. Schippers die bij Petten een flesje limonade in zee goot of aan Piero Manzoni die zijn eigen poep inblikte. Iets van dat kolderieke gevoel zou je graag terugzien op een tentoonstelling als deze. Maar in Antwerpen wordt Broodthaers’ werk op een serieuze, celebrale manier gepresenteerd. En veel uitleg is er niet, waardoor de expositie nogal statisch en hermetisch blijft.

Marcel Broodthaers, Tableau Oeufs, 1966.
Foto MuHKA
Marcel Broodthaers, Tableau Oeufs, 1966.
Foto MuHKA

In de laatste jaren voor zijn dood – hij stierf in 1976 op zijn verjaardag aan een leverziekte – ging Broodthaers zijn eigen retrospectieve tentoonstellingen organiseren, de zogenaamde Décors. Uit die serie is in Antwerpen een topstuk te zien, Décor: A Conquest by Marcel Broodthaers (1975), een bruikleen van de V-A-C Foundation in Moskou. De installatie bestaat uit twee antieke Engelse kanonnen en een bataljon aan Amerikaanse AR-15 geweren, maar ook uit een burgerlijk tuinmeubelsetje rond een parasol. Op tafel ligt een legpuzzel van de Slag bij Waterloo.

Dit is bourgeois-satire ten top. Overal worden oorlogen gevoerd, maar wij burgers consumeren lekker voort en vieren vakantie alsof er niets aan de hand is. Daarmee maakte Broodthaers in 1975 een fel politiek statement dat bijna een halve eeuw later nog pijnlijk actueel is.