Keja Klaasje Kwestro als Maureen („Ik ben een soort zwartkapje”) in The Beauty Queen of Leenane.

Foto Sanne Peper

‘Sommige moeders hebben het idee dat ze alles over hun dochter mogen zeggen’

Interview Altijd trekt ze de aandacht met haar fysieke spel. Zo ook in The Beauty Queen of Leenane, waarin Keja Klaasje Kwestro een eenzame vrouw speelt die bij haar moeder inwoont. „Ik speel groot of uitvergroot. Dat gaat automatisch.”

‘Waarom zou je toneel maken als je de werkelijkheid opvoert? Maak dan maar een documentaire.” Actrice Keja Klaasje Kwestro zegt het een paar keer in het gesprek, om te benadrukken dat toneel moet gaan over verbeelding en fantasie.

Dat heeft ze gemeen met regisseur Maren E. Bjørseth, die in haar aanpak van The Beauty Queen of Leenane bij Toneelschuur Producties wegblijft van realisme. Kwestro speelt de hoofdrol, als Maureen, de dochter van midden dertig die nog inwoont bij haar moeder Mag, gespeeld door Jacqueline Blom. Met haar flair en flamboyante spel geeft de 31-jarige actrice alle voorstellingen waarin ze speelt een extra boost. Ook in bijrollen is ze prominent aanwezig, zoals vorig seizoen in Kras en eerder als Hermione in De Troje Trilogie, een rol waarvoor ze in 2017 genomineerd werd voor de Colombina (beste vrouwelijke bijrol). „Een verrukkelijk onuitstaanbaar kindvrouwtje”, schreef NRC, en in de muziektheatervoorstelling De gelaarsde poes van het Ro Theater was ze volgens de recensie „hilarisch”.

Regisseur Maren E. Bjørseth benadert The Beauty Queen als een sprookje, vertelt Kwestro in het café van de Haarlemse Toneelschuur, een week voor de première, die vorige week plaatsvond. „Ik ben een soort zwartkapje en Jacqueline is met haar grijze pruik het type oude heks. We wonen in een huisje op een heuvel en als je ons bezig ziet, is het alsof je door een raam van een huisje op de Efteling kijkt.”

Lees ook de recensie van ‘The Beauty Queen’: Een (naar)geestig machtsspel tussen moeder en dochter

In dit veelgespeelde toneelstuk uit 1996 van de Britse auteur Martin McDonagh wonen de almaar ruziënde moeder en dochter in een gribus, in een arm Iers dorpje, in een uitzichtloze situatie. Kwestro: „Uitvoeringen in Engelstalige landen zijn heel realistisch, inclusief overal troep en een vies keukentje. Als ik dat zie, krijg ik buikpijn. Wat vertel je dan? Ik kom in het theater om een nieuwe wereld te zien. Daarom besloten we om zoveel mogelijk spullen weg te laten.”

Het decor is nu niet meer dan een kale doos, met muzikanten achter een rolluik. „Als je spullen weglaat, blijk je minder nodig te hebben dan je denkt. Dat was leuk om te doen. Daardoor gingen we vormelijker spelen.” Ze legt uit wat dat betekent: „Als je havermoutpap maakt, ligt de handeling vast. Roeren, kloppen. Maar zonder iets in je handen ga je eerder met je hoofd tegen de muur slaan of op de grond liggen om je frustratie te verbeelden.” Ze gooit zichzelf op dramatische wijze tegen de gecapitonneerde bankleuning om een grotesk effect te demonstreren. De cafébezoekers aan het tafeltje naast haar kijken geamuseerd toe. „Anders stop je die frustratie in het verbeten pielen met havermout. Dat is realisme.”

Aftrekken

De koekjes en de thee bleven wel in de voorstelling, voor de man die onverwacht bij Maureen op bezoek komt. Bij een repetitie is te zien hoe Kwestro langdurig het theezakje doopt in zijn kopje. De handbeweging krijgt door de intimiteit van de scène een suggestief karakter. Kwestro lacht bij deze interpretatie. „Ik doe gewoon het theezakje in zijn thee. Als je het water in het kopje hoort kletsen, krijgt het een seksueel tintje. Het is niet de bedoeling dat het lijkt op aftrekken, maar het publiek kan zichzelf wel op die gedachte betrappen.”

Centraal in de voorstelling staat de heftige botsing tussen de giftige moeder en haar vinnige dochter. Kwestro: „Uiteindelijk moet je wel begaan zijn met die mensen en je afvragen wie het slachtoffer is en wie de dader. Daar gaat de voorstelling over.”

Ze heeft een goede band met haar moeder, vertelt ze, maar toch herkent ze „kleine dingen” in dit steekspel. „Zoals dat lichtgeraakte. Dat je elkaar precies op die plekken prikt waar het raak is. Bij een verandering van een halve toon in een stem kan de ander al concluderen: ‘Hé, vond je het nou irritant wat ik zei?’ Dan laaien de emoties meteen hoog op. Tegelijk, als ik een avond thuis ben bij mijn ouders, en ik zit naast haar tv te kijken, dan lig ik tegen haar aan.” Kwestro speelt het voor op de bank: een zich nestelende poes. „Mijn grootste ruzies ooit heb ik met mijn moeder gehad. Maar er is ook onvoorwaardelijke liefde van haar kant en die voel ik ook terug.”

Ze ziet wel bij vriendinnen hoe het mis kan gaan. „Ik heb vriendinnen die jaloers zijn op hun moeder, omdat ze dikker zijn dan hun moeder, of een minder goede carrière hebben, of geen relatie. Sommige moeders hebben het idee dat ze alles over hun dochter mogen zeggen. Dat is heftig, want van je moeder is dat kritiek die je niet wilt. De relatie krijgt dan echt een knauw.”

Haar personage Maureen is als dertiger nog maagd. De moeder heeft daar commentaar op. De seksuele frustratie borrelt dicht onder de oppervlakte, bij beide vrouwen. „Maureen is eenzaam en wil graag liefde. Dat moet van een man komen.” Voor dat gevoel van hunkering put Kwestro uit haar eigen jeugd. „Ik had als kind het idee dat ik nooit ontgroend zou worden, nooit zou zoenen met iemand. Uiteindelijk was ik twaalf toen ik voor het eerst ging tongen. En ik dacht ook dat ik nooit ontmaagd zou worden, al was ik daar ook vroeg mee. Dat beeld van mezelf kwam voort uit mijn theatrale fantasie. Op de fiets fantaseerde ik bijvoorbeeld dat mijn vriend later vreemd zou gaan en dat ik het uit zou maken. Op mijn puberkamer deed ik alsof een jongen me vast zou houden.” Ze slaat haar armen stevig om zichzelf heen, wiegt zichzelf en maakt een zwijmelend geluid. „Dat was een ervaring die heel ver weg leek.”

Alles wat met liefde en seks te maken had, bleef „extreem spannend”, zegt ze. „Op mijn 15de mocht ik blijven slapen bij mijn vriendje. We gingen wel lang zoenen, maar ik durfde mijn handen niet op bepaalde plekken te leggen. Ik dacht wel: ‘Doe het, doe het, doet het’ – maar ik verstijfde. Dus dat niet ingeloste verlangen van Maureen herken ik wel, al is het voor mij lang geleden en heb ik inmiddels al meerdere lange relaties gehad. Maar wat als je je 25 jaar lang zo voelt?”

Theatraal fantaseren doet ze nog steeds, vertelt ze, onder meer als ze op haar racefiets van Amsterdam naar Haarlem rijdt. „Vaak zit ik dan een begrafenisspeech te murmelen van andere mensen. Laatst van de productieleider, een leuke vrouw, ik ben dol op haar. Bij wat ik bedenk lopen dan de tranen over mijn wangen.”

Keja Klaasje Kwestro’s aanleg voor het dramatische is terug te zien in haar spel, met opvallende mimiek en aangezette gebaren. „Ik speel groot of uitvergroot. Dat gaat automatisch.” Dat maakt haar spel ook vaak komisch, maar daar mikt ze niet op, zegt ze. Collega Jacqueline Blom benadert het acteren anders dan zij doet. „Jacqueline is veel inhoudelijker. Zij maakt eerst de denkstap en gaat dan bewegen. Ik moet eerst weten wat ik doe, bijvoorbeeld hoe en wanneer ik een kopje beetpak, en dan weet ik hoe ik mijn zin moet zeggen. Precies andersom. Ik doe het van buiten naar binnen en zij van binnen naar buiten.”

Op de toneelschool was de kritiek dat ze nog te onrustig en ongericht was. „Moest ik stilstaan tijdens een monoloog en dat ging steeds mis. Totdat ik voor mijn gevoel helemaal niks deed. Supersaai. Prachtig, vond mijn docent. Dus daar moet ik soms aan denken en op letten. Zoals een docent het ooit prachtig definieerde: zonder kopje is thee ook maar een plens. Spel moet vorm hebben.”

Acteurs zouden onderling wel wat meer kritiek mogen hebben, zegt ze. Dat zou ieders spel ten goede komen. Maar daarvoor zijn ze volgens Kwestro te snel aangebrand. Ze zou het zelf graag durven: „Ik kan niet zo goed tegen acteurs die niet zo goed kunnen spelen.” Zelf krijgt ze commentaar van de vrouw die kookt bij de Toneelschuur, vertelt ze. „Die zegt” – ze doet een stemmetje – „Hoe jij speelt, dat slaat nergens op, vind ik helemaal niks. Iemand moet jou eens met een hamer op je hoofd slaan, zodat je op de grond valt en niks kan, behalve je tekst zeggen. Gewoon eens stil staan. Drukke meid.” Kwestro lacht hard. „Geweldig toch?”