Opinie

Gevallen

Marcel van Roosmalen

Nou, daar zat ze dan. In een blauwe rolstoel, vastgezet tegen een tafel, gezicht naar de muur. Oranje muur, een klok en een briefje met de datum: 18 november. Voor haar een doorzichtige, plastic mok met koude, zwart geworden thee, het zakje zat er al heel lang in. Gevallen, gevonden door de nieuwe buurman, maar wel zelf op de rode knop gedrukt, afgevoerd naar ziekenhuis Rijnstate in Arnhem waar het ‘totaal rookverbod’ dat er vanaf 1 januari ingaat groots werd geafficheerd.

Schouderblad en pols gebroken, een paar keer ‘weggeweest’.

„Hallo!” tetterde ik, terwijl ik haar een kus probeerde te geven.

Geen reactie.

„Zit je al lang zo?”

Antwoord, op verwijtende toon: „Ik zit goed. Een mooie muur.”

Als ze haar hoofd naar rechts draaide keek ze in het atrium, een enorm aquarium. Als haar arm niet kapot was geweest had ze naar de andere patiënten kunnen zwaaien.

Ze probeerde telkens op te staan.

„Ik ga koffie zetten.”

„Ik trek mijn sloffen aan.”

„Ik ga wandelen.”

Het lukte niet en het mocht ook niet, maar het ergerde haar dat ik het probeerde te verhinderen. Ze vond me „een vervelende verpleger”.

De echte verpleging, een meisje met een blonde paardenstaart, kwam binnen, ze zei dat de bewegingssensor was uitgeslagen.

Ze schoof de knalblauwe rolstoel weer tegen het tafeltje, zodat ze er zeker niet uit kon.

Ik keek naar haar gezicht dat naar de klok staarde.

„Bijna één uur, de thuiszorg komt zo.”

„Die komt niet”, zei ik. „Je bent in het ziekenhuis.”

„Ach man ...”

Tegen de vriendin was ze aardiger.

„Geloof jij maar dat ik mirakels veel pijn heb.”

Mirakels, mooi woord.

Ik zei dat haar stem was veranderd, zwaarder, maar nog wel herkenbaar.

Geen reactie.

Ze wilde weer opstaan en trok haar arm daarbij uit de mitella.

Ik vroeg aan de verpleegster of ze de hele dag alleen met zichzelf zat.

Antwoord: „Ja.”

En: „Daar heeft mevrouw geen last van.”

We zaten nog een halfuur naast elkaar.

Ik keek naar haar hoofdje, ze had ’s nachts om haar moeder geschreeuwd, er was overwogen haar naar de intensive care te brengen.

Af en toe keek ze me onderzoekend aan.

Vanuit het niets de vraag: „Hoe is het in Vught?”

Ik zei dat ik daar niet woonde.

„Maar je broer wel!”

Ik: „Puntje voor jou.”

Zij: „Ja zeg, ik ben niet gek!”

Haar hoofd knakte voorover, ze sliep.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.