Opinie

De afzwaaiende hoofdpiet en de zwijgende premier

Paul Scheffer

Ik heb nog steeds het beeld voor ogen van het debat na de verkiezingen in het voorjaar van 2002. Pim Fortuyn had zojuist met 37 procent van de stemmen in Rotterdam een verpletterende overwinning behaald. Hij zat glunderend in de studio tegenover een chagrijnige Ad Melkert, die zichzelf al had weggedroomd als toekomstig premier.

Melkert was doorgaans in zijn element als minister: een goed onderhandelaar met een schier onuitputtelijke dossierkennis. Fortuyn stelde andere vragen. Het ging om „grenzen dicht”, om „de verweesde samenleving” en om „de islamisering van de cultuur”. Hij trad ver buiten de oevers van de polderpolitiek. Zijn tegenstanders waren sprakeloos.

Uit die botsing hebben de gevestigde partijen te weinig geleerd – onze premier voorop. Die denkt nog steeds dat de geloofwaardigheid van de politiek staat of valt met het oplossen van problemen. Bij het woord ‘visie’ trekt Mark Rutte een vies gezicht: „Voor visie moet je naar de oogarts.” Dat is een misverstand – zeker in een land waar culturen steeds meer schuren.

Symboolpolitiek heeft een slechte reputatie: weinig meer dan lege woorden en gebaren. Het echte werk is passen en meten in de polder. ‘Doe maar gewoon’ zit de meeste politici in de vezels. Maar dit zijn geen gewone tijden. We hebben bestuurders nodig die symboolpolitiek zien als onderdeel van hun publieke verantwoordelijkheid.

De enkele keer dat Rutte zich in dit register beweegt gaat het steevast mis: van „Zwarte Piet is nu eenmaal zwart” via „Pleur op” tot „De Gouden Eeuw is een prachtige term”. Hij houdt het graag klein, te veel woorden zijn voor de liberaal vast te bevoogdend. En hij leest de peilingen die zeggen dat twee derde wil vasthouden aan Zwarte Piet. Een beetje leading from behind, verder gaat hij niet.

Zo kan het gebeuren dat rond de sinterklaasviering acht jaar lang een loopgravenoorlog woedt. Met als gevolg dat inmiddels agressie in de lucht hangt. De treurige gebeurtenissen in Den Haag – de intimidatie van mensen die Zwarte Piet de wereld uit wensen – zijn een gevolg van het zwijgen van degenen die verantwoordelijkheid dragen.

Soms moet het midden een meerderheid trotseren. De enige elegante uitweg is de roetveegpiet. Er hoeft niets te worden opgelegd; er moet wel iets worden uitgelegd. Een duidelijke keuze had richting gegeven en de oplopende spanningen kunnen dempen. Nu spreek ik mensen bij de politie die al weken bezig zijn om een kinderfeest in goede banen te leiden.

De inzet van het zwarte activisme is duidelijk: als mensen met kleur zich ongemakkelijk voelen in dit land, dan moeten mensen die denken geen kleur te hebben op zijn minst delen in dat ongemak. En het werkt: het afscheid van Zwarte Piet is onontkoombaar. We mogen Quinsy Gario en Jerry Afriyie dankbaar zijn – ook zonder hun betogen over ‘institutioneel racisme’ te hoeven omarmen.

Dat conflict vraagt wel om stemmen die het gevoel van verlies aan beide kanten begrijpen. Ik las een weemoedig interview met een afzwaaiende hoofdpiet in Castricum, Peter Lambert: „Ik had zo ontzettend graag Zwarte Piet willen blijven, in al mijn onschuld. Maar dat mensen er op zo’n manier mee geconfronteerd worden, vind ik erg.” (de Volkskrant, 16/11).

Hij begrijpt het: zelfs als een minderheid van de minderheid de figuur van Zwarte Piet als een krenking ervaart, dan nog zou een meerderheid van de meerderheid bij zichzelf te rade moet gaan. In de meningenstrijd rond hedendaags racisme ligt een uitnodiging om over tegenstellingen heen te reiken, om te spreken over een land dat niet wordt gegijzeld door verdeelde herkomst, maar zoekt naar een gedeelde toekomst.

Keer op keer worden kansen gemist, waardoor de tegenstellingen onnodig scherp zijn. Er is behoefte aan meer oriëntatie: hoe gaan we bijvoorbeeld om met het racisme op en rond het voetbalveld? Een lauwe opmerking van Rutte over de taferelen bij FC Den Bosch is niet genoeg, daarvoor is er te veel losgeraakt.

Een democratie gaat over materiele conflicten die moeten worden opgelost – hoe verdelen we de middelen – en ook over symbolische conflicten die om duiding vragen. Zeker in een tijd van polarisatie zijn woorden en rituelen beslissend. Wat hebben we aan gemeenschappelijkheid nodig om met alle verschillen samen te leven?

De beelden van het historische debat tussen Fortuyn en Melkert zijn verplichte kost. We zagen hoe de gevestigde orde omver werd gekegeld door een buitenstaander – en dan ook nog eens door een buitenstaander die sjiek was gekleed. De verbijstering stond op alle gezichten. Die avond werd het belang van symboolpolitiek meer dan ooit zichtbaar.

Paul Scheffer is hoogleraar Europese studies.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.