Opinie

Wie doet je wat in de slimme stad

Maxim Februari

Er meldde zich een ontdekkingsreiziger om te praten over de wildernis. Langzamerhand verbazen de onderwerpen me niet meer waarover mensen in gesprek willen. God, richtlijnen inzake het hergebruik van overheidsinformatie, romankunst, seks.

Koffie drinken is in zo’n geval het beste. En dus zaten de onbekende man en ik in de betongrijze hal van een universiteitsgebouw, omdat ik daar toevallig toch moest wezen. Hij vertelde me alles over het echte leven en over zijn trektochten door gebieden waar de wereld nog ongerept is. Op plastic stoeltjes, onder een systeemplafond van asbest, zaten we te praten over bang zijn. De doodsangst die hij had gevoeld voor slangen, leeuwen en volstrekte eenzaamheid.

Eigenlijk had ik het de rest van de week nogal druk. Er werd een lezing van me verwacht over een betekenisvolle smart samenleving, of zoiets, ik had daar een boek over gekocht dat ik nog half moest lezen. Maar het verhaal van de ontdekkingsreiziger kreeg me in zijn greep en bracht me gaandeweg tot rust. Met het vage plan in mijn hoofd de volgende keer mee te reizen naar de wildernis nam ik peinzend afscheid van hem; ik deed nog iets erg wetenschappelijks ter plekke en zocht toen mijn auto weer op.

Viel dat even tegen. Hoewel ik de gehoorzame auto precies weer daar aantrof waar ik hem had achtergelaten, stond hij nu moederziel alleen op een uitgestrekt terrein met een hoog hek erom en een stevig slot erop. Een gekooide tijger. Een geknevelde panter. Het ijzeren hek was te kolossaal om er overheen te klimmen, er was camerabewaking; ik kon niet anders dan vanaf afstand me zorgen maken over het arme dier.

En terwijl de camera spottend toekeek, declameerde ik hardop Der Panther van Rainer Maria Rilke, over de vermoeide panter die vanuit zijn kooi alleen nog duizend spijlen ziet en niets meer van de wereld daarachter. „Sein Blick ist vom Vorübergehn der Stäbe / so müd geworden, daß er nichts mehr hält. / Ihm ist, als ob es tausend Stäbe gäbe / und hinter tausend Stäben keine Welt.

Daar stond ik. Net zo gekooid en gevangen als mijn panter. Hoe moest ik nou thuis komen? En hoe die lezing schrijven? Het werd al donker, en op het bedrijventerrein van de universiteit liepen alleen nog wat bewakers rond. „We leven in grote vrijheid in Nederland”, citeerde ik luidkeels het boek dat ik net had gekocht over onze hypermoderne en flexibele maatschappij. De camera grijnsde.

We leven in grote vrijheid, maar er komen barstjes in, zei het boek. Terwijl ik begon te lopen, op zoek naar iemand die me thuis kon brengen, probeerde ik me te herinneren wat er exact had gestaan. De bladzijde waar ik was gebleven ging over menselijke waardigheid, als iets dat je moest behouden in de toekomst. Wanneer alles verandert, wanneer je steeds meer beslissingen over de samenleving laat nemen door systemen, moet je een paar waarden niet uit het oog verliezen.

Ik sjokte langs de duizend spijlen van het hek en keek of ik ergens leven zag. Het boek, dat thuis op tafel lag, heette Een slimme stad, wie doet me wat. Of, nee, Een slimme stad, zo doe je dat. Een optimistisch boek, dat voor de toekomst een betere wereld beloofde, duurzaamheid en veiligheid, leefbaarheid en minder eenzaamheid, „eigenlijk is het heel simpel”, stond op bladzijde 148. Alleen moest je op een paar dingetjes letten, op menselijke waardigheid, bijvoorbeeld. En die kon je afmeten aan je imperfectieruimte.

Op een pikdonkere parkeerplaats vond ik een lange man die me wel een lift wilde geven. Hij moest alleen eerst zijn parkeerkaartje betalen, zei hij, en dat ging lastig, omdat er geen lampje brandde in de pinautomaat, hij zag eerlijk gezegd weinig. Op gepaste afstand bleef ik wachten terwijl hij op de tast zijn code intoetste in het schermpje. Ik liet het woord imperfectieruimte over mijn tong rollen; ik was er het boek heel dankbaar voor.

De imperfectieruimte is de mogelijkheid die je hebt om fouten te maken zonder dat ze meteen gevolgen hebben, zonder dat je meteen wordt afgestraft. Het was een begrip dat ik moest onthouden, dacht ik. Al was het maar omdat ik zelf meestal niet toekom aan de perfectie die het moderne leven van je eist. Ik deed een schietgebedje: mocht ik hier ooit nog levend vandaan komen, dan beloofde ik het woord imperfectieruimte in het vervolg bij iedere openbare gelegenheid uit te schreeuwen.

Naast me hoorde ik de man zachtjes mopperen. Hij had al twee keer een verkeerde pincode ingetoetst, zei hij. Nu was er nog één kans over. Zou hij een derde keer mistoetsen, dan slikte het apparaat zijn pasje in. De man boog zich in de inktzwarte avond nog dieper over het schermpje en aarzelend begon hij te tikken.

Maxim Februari is jurist en schrijver, www.maximfebruari.nl.