Waarom pensioenen korten zo moeilijk is voor politici

Pensioenstelsel Minister Koolmees heeft een grens verlegd: arme pensioenfondsen mogen nu zes jaar wachten met herstelmaatregelen. Veel van zijn voorgangers bleken ook rekkelijk. „De angst voor verlies is een basisangst.”

Minister Koolmees van Sociale Zaken en premier Mark Rutte tijdens het Kamerdebat over het pensioenakkoord.
Minister Koolmees van Sociale Zaken en premier Mark Rutte tijdens het Kamerdebat over het pensioenakkoord. Foto Bart Maat

Mark Rutte zit net drie maanden in de politiek als hij, de nieuwe staatssecretaris van Sociale Zaken, met de Tweede Kamer moet debatteren over de penibele situatie van de pensioenfondsen. Het is november 2002. De pensioenen staan zwaar onder druk door de dalende beurskoersen sinds het barsten van de internetzeepbel in 2000. En de toezichthouder is streng: de dekkingsgraad van pensioenfondsen mag niet langer dan één jaar onder de 105 procent komen.

De Kamerleden klagen. „De pensioenen moeten wel verhoogd blijven worden”, zegt Saskia Noorman-den Uyl (PvdA) tegen Rutte. „Pensioenfondsen moeten meer tijd krijgen”, meent Kamerlid Myra Koomen (CDA).

VVD’er Rutte houdt voet bij stuk. Die termijn van één jaar ís al opgerekt. Nog niet zo lang geleden, zegt de staatssecretaris, „was er een hersteltermijn van dertien weken”.

Lees ook: Lager pensioen voor 7 miljoen mensen van de baan

Nu, zeventien jaar later, doet dit Kamerdebat onwerkelijk aan. De zogeheten hersteltermijn voor noodlijdende pensioenfondsen is al opgerekt naar vijf jaar. Als een fonds na die tijd nog steeds te weinig geld in kas heeft om de toekomstige pensioenen te betalen, dan moet het ‘korten’. De pensioenopbouw van alle aangesloten werknemers en de uitkering van de gepensioneerden wordt dan verlaagd, zodat het fonds weer financieel gezond wordt.

Adempauze

Dinsdag maakte minister Wouter Koolmees (Sociale Zaken, D66) bekend – na druk van pensioenfondsen, vakbonden en politieke partijen – dat hij de fondsen volgend jaar een ‘adempauze’ geeft. Hij versoepelt de regels waardoor veruit de meeste pensioenen niet verlaagd hoeven te worden. De grote metaalfondsen PME en PMT zullen daardoor voor het zesde jaar op rij een te lage dekkingsgraad hebben, ónder de nu voorgeschreven grens van 104,2 procent. Daar ligt een wettelijke grens omdat fondsen genoeg geld in kas moeten hebben om alle toekomstige uitkeringen te kunnen betalen, plus een extra financiële reserve van 4,2 procent.

Koolmees handelt daarmee net als veel van zijn voorgangers, die ook regels hebben versoepeld om verlagingen te voorkomen of verzachten. Klaas Knot, president van pensioentoezichthouder De Nederlandsche Bank, keerde zich daarom in september tegen het opnieuw doorschuiven van pensioenverlagingen „richting jongere generaties”. „De rek is daar nu wel een beetje uit.”

Waarom was het voor politici steeds zo verleidelijk om de regels te versoepelen?

Eerst nog even de geschiedenis. In 2006 moet ook minister Aart-Jan de Geus (Sociale Zaken, CDA) tegenover een kritische Tweede Kamer de hersteltermijn van één jaar verdedigen. De pensioenfondsen staan er dan prima voor, maar de minister heeft een nieuwe Pensioenwet gemaakt en wil daarin de bestaande termijn van een jaar handhaven.

Dat zien Kamerleden niet zitten. Zo’n strikte regel leidt alleen maar tot snelle pensioenverlagingen, zeggen regeringspartij CDA en oppositiepartij PvdA. Die tasten de „koopkracht van deelnemers en gepensioneerden fors aan” en „ondermijnen het vertrouwen in de pensioenregeling”, schrijven ze in een voorstel tot wijziging van de wet. Hun plan: geef fondsen drie jaar tijd voor herstel. De voltallige Tweede Kamer stemt in met hun wijzigingsvoorstel: de hersteltermijn wordt opgerekt.

‘Onnodig pijnlijk’

Eind 2008 breekt de financiële crisis uit. Beurskoersen kelderen en het vermogen van pensioenfondsen verdampt. Fondsen bevriezen de pensioenen, maar dat brengt vaak onvoldoende herstel. Dus dreigen er, voor het eerst in de geschiedenis, grootschalige pensioenverlagingen in 2011.

Lees ook dit verhaal over de oproep van DNB-president Klaas Knot: ‘Níét korten van pensioenen raakt ook mensen’

Pensioenfondsen komen in verzet. De crisis is maar tijdelijk, zeggen ze. En pensioenverlagingen zijn slecht voor het consumentenvertrouwen. Minister Piet Hein Donner (Sociale Zaken, CDA) luistert: noodlijdende fondsen krijgen tijdelijk niet drie, maar vijf jaar om te herstellen. Wel eist hij dat herstellende fondsen hun pensioenen jarenlang bevriezen: die mogen niet verhoogd worden met het inflatiepercentage. Ook moeten de fondsen ieder jaar aannemelijk maken dat ze binnen die vijf jaar financieel gezond zullen worden. Wie dat niet kan, moet direct korten. Pensioenfondsen zijn niet tevreden. Ze noemden Donners voorwaarden „te rigide” en „onnodig pijnlijk”.

De crisis duurt langer dan verwacht. In 2013 is ook de vijfjaarsperiode voorbij en dreigen zo’n honderd fondsen pensioenen te moeten verlagen – uitkeringen van gepensioneerden én opgebouwde rechten van werknemers. Dus stuurt staatssecretaris Paul de Krom (VVD) in september 2012 een brief naar de Tweede Kamer: hij zal de regels versoepelen.

Dit keer komt er geen uitstel. Wel mogen pensioenfondsen een iets hogere ‘rekenrente’ gebruiken om hun financiële gezondheid te berekenen. Daardoor hoeven minder fondsen de pensioenen te verlagen. En de verlagingen die wel doorgaan, vallen milder uit. Uiteindelijk korten in 2013 bijna zeventig fondsen samen ongeveer 5,5 miljoen pensioenen, met gemiddeld 2 procent.

‘Verdeel ook de pijn’

Daarna trekt de economie aan en stijgen de beurskoersen weer. Toch weten de fondsen die er slecht voor stonden zich niet te herstellen. Hun vermogen groeit. Maar hun ‘verplichtingen’ – wat ze in kas móéten hebben – groeien nog harder, doordat de rente blijft dalen. Daardoor moeten fondsen ervan uitgaan dat hun vermogen langzamer aangroeit. Dus moeten ze nú al meer geld in kas hebben om toekomstige uitkeringen te garanderen.

En daarom dreigen nu opnieuw grootschalige pensioenverlagingen, omdat veel fondsen er alweer vijf jaar op rij te slecht voor staan. Die termijn, door Donner als tijdelijk bedoeld, is nu de standaard geworden. Dat heeft staatssecretaris Jetta Klijnsma (PvdA) in 2015 geregeld. Koolmees is de eerste minister die sommige pensioenfondsen zes jaar hersteltijd geeft.

Hoe kijkt oud-CDA-Kamerlid Myra Koomen terug op deze geschiedenis? In 2002 vroeg zij Mark Rutte nog de hersteltermijn van één jaar op te rekken. Nu vindt ze dat de pensioenverlaging gewoon zou moeten doorgaan. „Het pensioengeld moet goed verdeeld worden. Dat betekent dat je ook de pijn verdeelt. Je kunt altijd wel een reden verzinnen waarom dat nu even niet uitkomt.”

Koomen wijt het versoepelen van de regels aan de ‘poldercultuur’, waarin politici breed draagvlak zoeken voor hun beslissingen, ook bij vakbonden en pensioenfondsen. „We durven geen moeilijke beslissingen nemen.”

Daar komt bij, zegt hoogleraar risicomanagement Theo Kocken (Vrije Universiteit Amsterdam), dat pensioenverlagingen „heel veel angst en woede oproepen bij heel veel mensen”. „Men voelt dat als pijn en verlies. En het is voor politici heel lastig uitleggen dat verlagingen goed zijn voor jongeren. Mensen denken al snel dat uitstel van kortingen goed is voor iedereen.”

Basisangst

Onder de nieuwe pensioenregels – afgesproken in het pensioenakkoord tussen kabinet, werkgevers en vakbonden – moeten de pensioenen waarschijnlijk vaker worden verlaagd dan nu. Doordat ze meer gaan meebewegen met de economie, gaan ze vaker omhoog én omlaag.

Zullen verlagingen dan wél geaccepteerd worden? Kocken denkt van niet. „Mensen willen helemaal geen stelsel waarin gekort moet worden. De angst voor verlies is een basisangst. Mensen zullen altijd zeggen: ja, in de toekomst mag gekort worden, maar nu niet.”

Lees ook: Geld sparen in een pensioenfonds, hoe slim is dat nog?

Fieke van der Lecq, hoogleraar pensioenmarkten (Vrije Universiteit Amsterdam) denkt dat verlagingen onder de nieuwe pensioenregels „gewoner” zullen worden. „Het is dan geen ‘ultimum remedium’ meer, zoals nu. De pensioentoezegging gaat meer variëren, en mensen raken daaraan gewend. De verlagingen zullen doorgaans ook kleiner zijn. We hadden dit eigenlijk eerder moeten doen.”

‘Best trots’

Toch zijn er de afgelopen twintig jaar ook strengere pensioenregels gekomen: de AOW-leeftijd is verhoogd, het prepensioen afgeschaft. En sinds 2015 mogen fondsen de pensioenen pas een klein beetje verhogen om de inflatie te compenseren, zodra hun dekkingsgraad hoger is dan 110 procent. Daardoor zijn veruit de meeste pensioenen sinds 2009 nagenoeg bevroren.

Ook is de rekenrente voor pensioenfondsen nooit fors verhoogd, ondanks een sterke lobby door ouderenclubs en vakbonden. Met de rekenrente bepaalt een pensioenfonds hoeveel geld het nu in kas moet hebben om zijn toekomstige pensioenen te kunnen uitkeren. Wordt die rente verhoogd? Dan stijgt direct de dekkingsgraad en mogen de pensioenen sneller verhoogd worden.

Hoogleraar Kocken is daarom „best trots op de Nederlandse politici”. Hij is tegen het opnieuw uitstellen van de pensioenverlagingen, maar wijst er ook op dat Nederlandse fondsen er nog goed voor staan vergeleken met die in de Verenigde Staten. Daar zagen pensioenfondsen in de publieke sector er op papier gezond uit, doordat zij hoge rekenrentes mochten gebruiken. En omdat de fondsen gezond leken, wilden werkgevers minder pensioenpremie betalen, waardoor de situatie alleen maar slechter werd. „Als je het daarmee vergelijkt, hebben Nederlandse politici de rug nog best recht gehouden.”