Reportage

De Rohingya waren welkom in Cox’s Bazar, maar nu niet meer

Bangladesh Twee jaar geleden werden vluchtende Rohingya uit Myanmar met open armen ontvangen in Cox’s Bazar. Nu wil de bevolking van ze af.

Boven: een jongen probeert regenwater op te vangen in het kamp in Cox’s Bazar. Onder: een van de toegangswegen naar het vluchtelingenkamp.
Boven: een jongen probeert regenwater op te vangen in het kamp in Cox’s Bazar. Onder: een van de toegangswegen naar het vluchtelingenkamp. Foto’s Getty Images

Hij zal eerlijk zijn, zegt Mohammed Akkas (50). In het begin was het vooral goed voor de zaken. Over dezelfde geasfalteerde weg waarop zijn winkeltje uitkijkt, liepen in de zomer van 2017 wekenlang duizenden Rohingya voorbij. Tassen op hun hoofd, kinderen aan hun hand, het verlies op hun gezicht. In een oneindige stroom kwamen ze de grens met het naburige Myanmar overgestoken, op de vlucht voor geweld dat door de Verenigde Naties als ‘genocide’ is omschreven.

„Ze waren er verschrikkelijk aan toe”, zegt Akkas. Mensen uit de buurt verdrongen zich voor zijn toonbank vol kleverige broodjes en bakjes Indomie om die aan hun hongerige moslimbroeders- en zusters uit te delen. Ook Akkas, die zijn vroomheid benadrukt door een volle baard en een gehaakte topi op zijn hoofd, gaf naar eigen zeggen veel gratis weg. Maar nu, vervolgt de verkoper met zijn wangen bol van de betelnoot waarop hij kauwt, is het genoeg. „Ze moeten weg.”

In Bangladesh raakt het geduld op. Ruim twee jaar verstreken sinds Cox’s Bazar in het zuidoosten van het land veranderde in ’s werelds grootste vluchtelingenkamp. Meer dan 700.000 Rohingya vluchtten die zomer de grens over, om zich te voegen bij hun pakweg 200.000 volksgenoten die hen na eerdere geweldsexplosies in Myanmar voorgingen.

De bedoeling was dat ze uiteindelijk weer zouden terugkeren. Of dat andere landen op zijn minst de last met arm en overbevolkt Bangladesh zouden delen. Maar geen van beide is gebeurd, tot grote frustratie van de Bengaalse regering. In augustus gaven opnieuw nul Rohingya gehoor aan een poging – de tweede – hen naar Myanmar te repatriëren.

Ook het eiland Bhasan Char waar de regering 100.000 Rohingya naartoe wil verplaatsen, is nog altijd verlaten, op patrouillerende soldaten na. Verhalen over overstromingen hebben de vluchtelingen weinig happig gemaakt om de mierenhoop in Cox’s ervoor te verruilen. Zelfs al zijn de woonblokken er van steen en niet van zeil en plastic, zoals nu.

Lees ook: Dagelijks huiselijk geweld in Cox’s Bazar

Geplaveide straten

In de kampen begint het tijdelijke ondertussen permanente vorm aan te nemen met geplaveide straten, stenen gebouwen – voor een ziekenhuis, het kantoor van een ngo – en oneindig veel winkeltjes waar Rohingya van alles aan elkaar verkopen, van slippers en mobieltjes tot kippen.

Voor Mohammed Akkas zijn de zaken sinds die zomer niet per se slechter geworden. Een „verrassingsinkomen” noemt hij het: de hulpverleners die hier nog dagelijks in grote witte jeeps af en aan rijden en bij Akkas stoppen voor snacks. „Maar anderen betalen de prijs.” Vraag maar aan hen, zegt Akkas, wijzend op twee jongens die al die tijd meeluisterden.

Robiul Alam (23) en Nur Mohammed (26) zijn beiden eigenaar van een smalle houten boot om te vissen op de nabijgelegen Naf: de rivier die hier in het zuidoosten Bangladesh van Myanmar scheidt. Maar nu liggen die al ruim twee jaar ongebruikt op de kant. Vissen is verboden sinds Rohingya de Naf massaal gebruikten om over te steken. „Zij [de Bengaalse autoriteiten, red.] zeiden dat we de rivier zouden gebruiken om Rohingya het land in te smokkelen”, zegt Alam. En niet alleen Rohingya: ook Yaba, de paarse pilletjes metamphetamine die in Myanmar worden gemaakt en hier gretig aftrek vinden.

Alam en Mohammed vertellen dat ze sindsdien moeten rondkomen van dagklusjes. Werken op iemands land, een ander zijn boot. Van industrie is in deze regio geen sprake. Maar zelfs dat soort klusjes vinden, is lastig. „De Rohingya zijn overal”, klaagt Mohammed. Officieel mogen ze niet werken, maar daar trekken weinigen zich wat van aan. Daardoor zijn ook de lonen lager geworden, zegt Alam. „Voorheen kreeg je 700 taka voor een dag (zo’n 7,50 euro), maar zij doen het voor 300. Wie gaat ons dan nog aannemen?”

Een van de toegangswegen naar het vluchtelingenkamp. Foto Getty Images

Verbod om te vissen

Soortgelijke verhalen klinken overal in de dorpen en steden rondom de kampen. Verhalen die werden gestaafd in een lijvig rapport van de UNDP, het ontwikkelingsprogramma van de VN, dat vorig jaar uitkwam over de grote sociaal-economische impact van de vluchtelingencrisis op de lokale bevolking. Niet alleen trof het vissersverbod op de Naf duizenden jongens als Alam en Mohammed, door de gedaalde lonen zakten volgens de UNDP zo’n 2.500 families onder de armoedegrens. Tegelijkertijd stegen de prijzen van allerlei producten op de markt, door de exploderende vraag. Rijst, bloem, uien: het is allemaal duurder geworden.

Dan zijn er nog: de kapotgereden wegen door de dagelijkse colonnes aan ngo-jeeps die ook nog eens ellenlange files veroorzaken. De ruim 2.000 hectare aan bos die werden gekapt om ruimte te maken voor nieuwe hutjes of om als brandhout voor de Rohingya te dienen. Lokale ziekenhuizen die al overbelast en onderbemand waren, waar de wachttijden nog verder zijn opgelopen.

Bekijk ook deze fotoreportage uit 2017: Vluchtelingen uit Birma zoeken naar een plek, desnoods in een rijstveld.

Het heeft de lokale bevolking op gespannen voet gebracht, niet alleen met hun Rohingya-buren die nu met bijna twee keer zoveel zijn als zij, maar ook met de (internationale) ngo’s die hier massaal neerstreken en zich vervolgens alleen om de vluchtelingen bekommerden. Dat vuurtje is door sommigen ook extra opgestookt.

In een klein kantoortje met gifgroene muren en een wandkast gevuld met stapels plastic borden en bekers, lacht Sharif Azad (34) tevreden. Azad is, naast verkoper van plastic servies, een lokale journalist die sinds begin dit jaar vooral bekendstaat als een van de gezichten van een anti-Rohingya-campagne in de omgeving van Cox’s Bazar. Twee keer al haalde hij daarmee het nieuws. De eerste keer toen hij dit voorjaar een grote demonstratie organiseerde om te eisen dat ngo’s voortaan de lokale jeugd zouden inhuren voor klusjes in plaats van de Rohingya. Daar kwamen enkele duizenden mensen op af. De tweede keer was in augustus vanwege een Facebookbericht dat viral ging en dat verschrikte ambtenaren uit hoofdstad Dhaka deed afreizen. Daarin beweerde Azad dat een lokale ngo met internationale financiering de Rohingya wilde bewapenen. Bijgevoegd was een foto, genomen door Azad, bij de dorpssmid van opgestapelde sikkels.

Volgens de ngo waren de sikkels onderdeel van een groot project voor de Rohingya en de lokale bevolking om hen te helpen zelfredzaam te worden. Onder meer door op stukjes grond groenten te kunnen verbouwen die ze konden verkopen. De deelnemers kregen trainingen, zaden en mest. En een sikkel om onkruid te wieden.

Onzin, volgens Azad. „De Rohingya hebben geen grond om groenten te verbouwen, dus wat moeten ze met een sikkel?” Bovendien, beweert Azad, komt hij uit een boerenfamilie en heeft hij „nog nooit” zo’n werktuig gezien. Of hij écht gelooft dat de ngo de Rohingya wilde bewapenen? „Natuurlijk”, zegt hij met een grijns die iets anders verraadt. Effect had het wel. De ambtenaren uit Dhaka legden meerdere projecten van de ngo stil. Hun internationale bankrekening werd tijdelijk bevroren, waardoor ook voor andere projecten geen geld meer beschikbaar was.

Ngo’s krijgen de schuld

Het heeft de schrik vergroot onder ngo’s, die toch al onder vuur liggen – niet in de laatste plaats door de regering, die zegt dat het de schuld van hulporganisaties is dat de Rohingya weigeren te repatriëren of naar Bhasan Char willen verhuizen.

Hulpverleners vertellen hoe de overheid dit jaar de druk flink heeft opgevoerd. Visa worden niet meer zomaar verleend, projecten alleen nog goedgekeurd als kan worden bewezen dat ook de lokale bevolking ervan profiteert. En onlangs ging een onofficiële herinnering rond dat de ngo’s geen Rohingya mogen inhuren.

Dat was niet de enige opsteker voor Azad. De overheid kondigde onlangs aan een hek van prikkeldraad om de kampen te gaan bouwen om beweging van de Rohingya te beperken en zo de oplopende spanningen tussen hen en de lokale bevolking in te beperken.

In augustus liep dat al eens uit de hand. Na de moord op een lokale jeugdleider van de regeringspartij, blokkeerde een woedende meute wegen en vernielde winkels waar Rohingya komen. De jeugdleider zou namelijk zijn gedood door Rohingya. Twee Rohingya werden daarop doodgeschoten door de politie, volgens wie het om een drugsconflict ging.

Ook zonder hek voelen de vluchtelingen dat de stemming is omgeslagen. De afgelopen maanden werden telefoons afgepakt, winkels in de kampen gesloten en is het internet teruggebracht tot 2G. „Ik kan helemaal niets meer”, zegt Jamal Arakani, 22, een wat timide jongen met zwartleren instappers onder zijn jeans. Arakani werd geboren in het kamp, waar zijn ouders in 1991 naartoe vluchtten. Tot voor kort maakte hij filmpjes met zijn telefoon voor de Arakan Times, een online krant voor de Rohingya-diaspora, gerund vanuit Saoedi-Arabië. Zijn laatste upload was op 25 augustus, toen duizenden Rohingya in het kamp de gebeurtenissen van twee jaar geleden herdachten.

De massale bijeenkomst leidde tot paniek bij de regering. Kampverantwoordelijken werden van hun post gehaald, waaronder het hoofd Opvang en Repatriëring, omdat ze dit hadden toegestaan. Er kwam een avondklok en het internet werd afgesneden. En nu komt er dus een hek. „We zijn gevlucht omdat we in Myanmar niet vrij waren”, zegt Arakani. „Nu worden we ook hier gevangen.”