Opinie

Het is er áltijd

Nederland en het weer NRC vraagt lezers Nederland in beeld te brengen. Goede fotografen kunnen het weer vangen zonder het écht op de foto te zetten.

Foto Anne-Marie Vermaat

Twee jonge vissen komen een oude vis tegen. Die knikt hun in het voorbijgaan toe en zegt: „Hallo jongelui, hoe is het water?” De jonge vissen zwemmen een stukje door en dan vraagt de een aan de ander: „Wat is in godsnaam ‘water’?”

Zo is het ook een beetje met het weer. Het is er altijd, het omhult ons, maar wat is het eigenlijk? Ja, natuurlijk kun je zien wat voor weer het is, maar zie je het weer dan ook echt? Mensen met paraplu’s en spiegelende straten betekenen: regen. Golven die kapotslaan op een havenhoofd zeggen: wind. En de gebarsten modder in de uiterwaarden vertelt iets over een hete zomer. Of zijn die beelden eerder afgeleiden, zoiets als de zwaartekracht die je niet kunt zien, maar die er wel moet zijn zodra die appel op Newtons hoofd is gevallen.

Er is nog iets met ‘het weer’. Terwijl ik dit schrijf heb ik de inzendingen bij deze aflevering van de NRC-fotowedstrijd nog niet bekeken, maar ik vermoed dat het weer in Nederland alleen interessant, althans fotogeniek is, als het gaat om veel wind en regen, grote hitte, of het tumult in de atmosfeer dat gek genoeg onweer heet.

Maar hoe fotografeer je niet-extreem, onbestemd weer? Het weer dat Gerard Reve ooit het „weder van alle mensen” heeft genoemd. „Het is dan vrijwel windstil, en het is noch zeer koud noch zeer warm. Af en toe breekt de zon door, doch slechts voor heel kort en met een beknepen, okeren licht. Tegelijkertijd met die kortstondige verschijning van de zon verheft zich heel even een windvlaag, die proppen papier, zand en stof op de grond doet rondwervelen. Men moet dan denken aan vroeger en men gevoelt zich zeer sterfelijk.”

Ik denk dan aan lege straten in de middag, een schilderij van Willink, De Chirico misschien, aan Alex van Warmerdams film De Noorderlingen, over een nieuwbouwwijk in een polder waar nog bijna niemand woont. Het weer lijkt op zulke beelden niet meer dan een figurant, maar zonder dit onbestemde licht, dat nergens vandaan lijkt te komen, zou alles toch anders zijn.

Er is ook precies licht, zoals op die beroemde foto die Ansel Adams heeft gemaakt: het laatste reepje dag, de zon wegzakkend achter vage wolken, een veeg licht over de kruisen van een begraafplaatsje en cactussen in de verte, en daarboven de wassende maan. Hij zag het beeld in een fractie van een seconde en reed zijn auto bijna in een greppel om er op tijd bij te zijn met zijn zware platencamera. Toen hij een paar seconden later voor de zekerheid een tweede opname wilde maken, was dat ene licht verdwenen.

Het is alsof je zelf op die weg door de vlakte staat en het licht ziet wegglippen over de lage huizen. Je ruikt het asfalt, de woestijn, het is koel. Je weet precies wat voor weer het was op de vroege avond van 1 november 1941 langs US Highway 84 bij Hernandez in New Mexico. Het weer zelf staat niet op de foto. En toch geeft die foto het je cadeau.

Simon Roberts, Brits fotograaf, beheerst dezelfde toverkunst. Ook hij werkt met een platencamera, die hij bedient vanaf het dak van zijn camper. Op een foto zie je het strand van Skegness, een badplaats, waar Engelsen heen gaan die Benidorm niet kunnen betalen. Alles is grijs, je ziet nauwelijks waar de Noordzee en de lucht in elkaar overgaan, en ook het strand is grijs. In de verte graaft iemand een kuil. Iemand duwt een vrouw in een rolstoel. Ergens staat een groepje mannen en vrouwen in joggingpakken dicht op elkaar.

Door die 5×4 inch-platencamera houden al die mensjes in dat weidse grijze landschap een enorme scherpte. Het licht is fel maar diffuus, heeft ook hier geen richting. Het is alsof die mensjes onder een tl-bak zitten, terwijl Roberts zijn vergrootglas boven hen houdt. Zelf denkt hij bij zijn foto’s aan de zeventiende-eeuwse wintertaferelen van Hendrick Avercamp, heeft hij gezegd. Maar het is geen winter, het is geen lente, geen zomer en geen herfst. En het is ook geen vakantieweer.