Cyprus: een eigenwijs eiland vol koper

Archeologie Op Cyprus gebruikten mensen voor 2400 voor Christus al koper. Het eiland was minder achtergebleven dan gedacht.

Leidse archeologen aan het werk bij een noodopgraving bij Chlorakas-Palloures op Cyprus.
Leidse archeologen aan het werk bij een noodopgraving bij Chlorakas-Palloures op Cyprus. Foto's Project Chlorakas-Paloures

Het was een rijke oogst die de Leidse archeoloog Bleda Düring wist op te diepen tijdens zijn noodopgravingen op Cyprus. Hij deed die op verzoek van de Cypriotische autoriteiten omdat de archeologische site Chlorakas-Palloures werd bedreigd door bouwplannen. Zijn team vond er onder meer de oudste koperen bijl die ooit op het eiland is gevonden, en stuitte op het grootste ronde huis uit die periode. De vondsten wijzen erop dat Cyprioten al eerder met koper werkten dan gedacht.

Een fototentoonstelling van de archeologische opgravingen in Chlorakas-Palloures is onderdeel van een grote expositie met honderden archeologische topstukken uit de nationale collecties van Cyprus, die vorige maand opende in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden.

Het eiland Cyprus dankt zijn naam aan de aanwezigheid van koper. Lange tijd heeft men aangenomen dat mensen van buitenaf, uit Anatolië, rond 2400 voor Christus als eersten kopererts hebben ontdekt en gebruikt. „Ook bestaat het beeld dat Cyprus voor die tijd een geïsoleerd en achtergebleven gebied was”, zegt Düring. Dat beeld begint nu te kantelen.

Vijftien huizen

„In de Midden en Late Kopertijd, tussen 3500-2400 voor Christus, waren er wel degelijk al (handels)contacten met het oostelijke Mediterrane gebied en verder lijken de Cyprioten toen bewust en een tikje eigenwijs vastgehouden te hebben aan een eigen eilandcultuur.”

Düring, gespecialiseerd in het ontstaan van complexe samenlevingen, schakelt op zijn werkkamer Google Earth in en zoomt in op de zuidwestkust van Cyprus.

Drie kilometer ten noorden van Paphos, de hoofdstad van de westelijke regio van Cyprus, ligt het dorp Chlorakas. „Onze vindplaats heeft de naam Chlorakas-Palloures. Kijk, op een stuk braakliggend land tussen villa’s met zwembaden zie je onze afgedekte opgravingsputten. Tussen 3500 en 2400 voor Christus was hier een grote nederzetting.” Het is een van de ongeveer tweehonderd vindplaatsen uit de Kopertijd die op Cyprus bekend zijn. „Maar slechts enkele zijn opgegraven”, vertelt Düring. „Daarom is onze vindplaats van belang voor onderzoek van de periode die vooraf gaat aan de complexe samenlevingen uit de Bronstijd.”

Het oudste koperen bijltje ooit gevonden op Cyprus, van 2600 v.Chr.

Bij Chlorakas heeft Düring sinds het begin van zijn onderzoek in 2015 de resten gevonden van vijftien huizen. Anders dan elders in het oostelijke Middellandse Zeegebied waren ze niet vierkant of rechthoekig, maar rond en gebouwd op een verhoging van stenen. De huizen hadden in het algemeen een diameter van vijf tot acht meter, met in het midden een haard. Opvallend is dat ze maar een of twee generaties in gebruik waren. Düring: „Daarna werden ze opgegeven, soms met het interieur erbij. In een geval vonden we in de deuropening nog de stenen waarmee het huis was afgesloten.” Na het opgeven van het huis werd verderop een nieuw gebouwd. Op basis van veldverkenningen schat Düring dat de totale nederzetting acht hectare groot was. „Het totale aantal inwoners zal ongeveer zeven-, achthonderd zijn geweest.” Uit onderzoek door de Universiteit van Edinburgh, die al sinds 1976 op Cyprus bezig is, is bekend dat in de directe omgeving nog meer dorpen waren. „Ze lagen allemaal op ongeveer drie kilometer afstand van elkaar.” Over het precieze landschap en het klimaat in die periode is weinig bekend. „Daarvoor ontbreken goede pollenmonsters. We denken dat het niet veel anders is dan nu. De dorpen in het zuidwesten lagen wel in de buurt van waterbronnen.”

Opgetrokken knieën

De bewoners van Chlorakas-Palloures hielden in tegenstelling tot elders in het oostelijke Middellandse Zeegebied geen runderen, en hadden dus ook geen ossen om te ploegen. „Ze deden aan tuinbouw en hielden varkens, schapen en geiten.” Tussen de huizen vond Düring ook enkele graven. „Maar alleen van vrouwen en jonge kinderen, die zonder grafgiften, op hun zij en met opgetrokken knieën waren begraven.”

Elders is wel een groot grafveld gevonden. „Het gaat om honderden collectieve graven, waarin ook mannen waren begraven. Maar het ligt ruim dertig kilometer van ons dorp. Het zou kunnen dat we tot nu toe een dichterbij gelegen grafveld hebben gemist.”

Kruisfiguurtje van een barende vrouw, waarschijnlijk een symbool van vruchtbaarheid.

Kenmerkend voor de Cypriotische cultuur uit de Kopertijd zijn kleine, centimeters grote kruisfiguurtjes van picroliet, een zachte inheemse steen. Düring: „Ze hebben hun armen wijd en hun benen opgetrokken. Men gaat ervan uit dat ze barende vrouwen uitbeelden en een symbool voor vruchtbaarheid zijn.” Zelf vindt hij dat een te gemakkelijke interpretatie, maar hij heeft geen betere paraat. Gekscherend: „Ze doen me denken aan dansers in de Arabische wereld die bij een bepaalde dans door hun knieën zakken.” Bij zijn opgraving heeft Düring er zeven gevonden. De figuurtjes werden ook gemaakt van kalksteen en aardewerk.

Scherven van handgemaakt aardewerk met geometrische versieringen vormen de hoofdmoot van Dürings vondsten. „We hebben er al zo’n 80.000.” Tot de meer bijzondere vondsten hoort wat hij interpreteert als een stenen pers. „We hebben ook een grote gladde stenen vijzel gevonden en veel maalstenen.”

Bijltje in een kruik

De meeste werktuigen waren gemaakt van vuursteen. „Maar we hebben ook een koperen bijltje gevonden”, vertelt Düring. „Hij zat in een kruik. Aan de hand van een C14-dateringen van een gerstekorrel die er ook in zat, hebben we hem rond 2600 voor Christus kunnen dateren.”

„De eerste metingen wijzen uit dat het bijltje is gemaakt van lokaal kopererts. Samen met andere kleine koperen voorwerpen zou het duidelijk maken dat de Cyprioten zelf al vroeger dan gedacht kopererts wonnen en smolten.” Dat verbaast Düring niet. „De Anatoliërs zijn niet zo maar naar Cyprus gekomen. Ze wisten dat er koperbronnen waren en dat kan alleen als de Cyprioten ze al gebruikten en er contacten zijn geweest.”

Toch houdt hij nog een slag om de arm. „Het definitieve resultaat van het onderzoek naar de precieze samenstelling van de bijl is nog niet binnen. Het zou ook kunnen dat het kopererts afkomstig is uit wat nu Turkije is. Als dat het geval is toont de bijl in ieder geval aan dat de Cyprioten niet geïsoleerd leefden.”

Andere vondsten, zoals kralen van faience, een type aardewerk, wijzen ook op contacten buiten het eiland. „De afwijkende levensstijl van de Cyprioten in de Kopertijd lijkt dus niet een gevolg van isolatie, maar een bewuste keuze”, concludeert Düring. Hij ziet een samenleving waarin wel sociale verschillen waren – ‘één huis had een diameter van veertien meter en een extra grote haard’ – maar waarin elitepaleizen en -graven ontbraken. Macht werd niet aan kinderen of familie doorgegeven. „Leiderschap was blijkbaar gebaseerd op prestige en moest verdiend worden.”

De tentoonstelling Cyprus is tot 15 maart 2020 te zien in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden.