CPB: na deze kabinetsperiode stijgen de lasten

Overheidsfinanciën De financiële mogelijkheden voor een volgend kabinet slinken. Lage economische groei en vergrijzing bemoeilijken verkiezingsbeloftes voor politieke partijen.

De grootste oorzaak van de financieel mindere tijden die er volgens het CPB aankomen is de vergrijzing
De grootste oorzaak van de financieel mindere tijden die er volgens het CPB aankomen is de vergrijzing Foto Robin Utrecht

Voor politieke partijen wordt het lastig om voor de komende kabinetsperiode lastenverlichting te beloven of grote investeringen aan te kondigen. De financiële ruimte daarvoor is erg krap, en de economische omstandigheden zijn niet onverdeeld gunstig. Dat komt door toenemende vergrijzing, minder groei van het arbeidsaanbod en al ingeboekte lastenverzwaringen.

Dat blijkt uit de Middellangetermijnverkenning 2022-2025 die het Centraal Planbureau (CPB) maandag presenteerde. De economische groei valt in die vier jaren terug tot een magere 1,1 procent, de koopkracht zal niet toenemen en het huidige begrotingsoverschot slaat in 2021 om in een tekort. Vertrekpunt voor deze CPB-studie is het huidige kabinetsbeleid, inclusief de afgelopen zomer gesloten akkoorden over pensioen en klimaat.

De middellangetermijnverkenning geldt als eerste bouwsteen voor de verkiezingsprogramma’s van politieke partijen in de aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen van – in principe – maart 2021. Komende zomer worden die programma’s geschreven. In de tussentijd zullen meer macro-economische studies verschijnen, zowel van het CPB als van de Studiegroep Begrotingsruimte, een groep topambtenaren van enkele belangrijke departementen. Het Centraal Planbureau zal de verkiezingsprogramma’s uiteindelijk nog doorrekenen op financiële houdbaarheid en sociaal-economische gevolgen.

Dure vergrijzing

De grootste oorzaak van financieel mindere tijden is de vergrijzing: die wordt in de jaren 2022-2025 nadrukkelijk merkbaar, licht CPB-directeur Laura van Geest toe. „We hebben de vergrijzing al heel lang zien aankomen, nu is die er echt.”

Lees ook dit interview met Laura van Geest: ‘Mensen laten zoveel achter op internet. Verzekeraars stappen in die bubbel’

Concreet ziet het Planbureau het aantal 15- tot 74-jarigen de komende jaren met 45.000 dalen, terwijl de bevolking als geheel met 270.000 mensen toeneemt. Daardoor zullen vooral de kosten voor gezondheidszorg aanzienlijk groeien: van 84 miljard euro in 2021 tot 100 miljard in 2025. Gemiddeld stijgen de zorgkosten met 2,7 procent per jaar, terwijl de economische groei op 1,1 procent blijft steken.

Ook op individueel niveau nemen de uitgaven voor ‘zorgconsumptie’ toe. De zorgpremies worden hoger, en dat geldt ook voor het eigen risico. Dat is door het huidige kabinet, Rutte III, voor deze regeerperiode bevroren op 385 euro.

Ook op andere vlakken stijgen de lasten voor burgers in de volgende kabinetsperiode. Zo gaan de premies voor pensioenen omhoog. Daarnaast houdt het Planbureau rekening met kortingen op de pensioenuitkeringen – een maatregel die minister Koolmees (Sociale Zaken, D66) vermoedelijk komend jaar nog niet invoert.

Minder hypotheekrenteaftrek

De grootste lastenstijging voor huishoudens zit in fiscale maatregelen, zoals verdere versobering van de hypotheekrenteaftrek en de heffings- en arbeidskorting. De lastenverlichting die het kabinet nu biedt – met Prinsjesdag werd er nog 3 miljard euro voor uitgetrokken – is tijdelijk. Ná deze regeerperiode stijgen de lasten weer, tenzij een volgend kabinet opnieuw maatregelen treft die de koopkracht begunstigen.

Per saldo is de financiële ruimte voor de volgende regeerperiode beperkt. Het begrotingstekort bedraagt 0,3 procent, het structurele tekort – na correctie voor incidentele mee- en tegenvallers – is 0,1 procent.

Iets van buffers heeft Nederland nog wel. Binnen de Europese begrotingsregels mogen deze twee tekorten nog verder oplopen, tot 3 procent respectievelijk 0,5 procent. Afgezet tegen de huidige omvang van de economie gaat dat om bedragen van 3 tot 22 miljard euro.

De ruimte op een derde Europese begrotingsnorm, de staatsschuld, is nog veel groter. De Nederlandse staatsschuld daalt de komende periode volgens het CPB tot 43,9 procent van het bruto binnenlands product. Dat mag maximaal 60 procent zijn.