Waarom jongeren als Delano zo in de knel komen

Jeugdzorg Maandag debatteert de Tweede Kamer over hoe het verder moet in de jeugdzorg. Jongeren in nood krijgen niet of te laat hulp. „Het belang van het kind staat niet meer centraal.”

Delano Jansen. Toen bleek dat er in de woongroep geen plek voor hem was, moest hij naar de jeugdgevangenis.
Delano Jansen. Toen bleek dat er in de woongroep geen plek voor hem was, moest hij naar de jeugdgevangenis. Foto Roger Cremers

Delano Jansen was tien toen zijn moeder plotseling doodging. Een hersenbloeding. Hij stond erbij toen ze op een brancard in de ambulance werd getild. Daarna, zegt hij, ging het allemaal mis. Zijn vader zat hele dagen in de coffeeshop, vaak was hij te stoned om eten te kopen. „Dus wat doe je dan als kleine jongen? Je laadt een tas vol in de Albert Heijn en rent die winkel uit.”

Hij ging zich misdragen, steeds meer stelen. Toen ze hem naar een gesloten instelling brachten, was Delano elf of twaalf. Omdat hij zijn vader niet mocht zien, was hij op een avond zo boos geworden dat hij geprobeerd had zijn begeleider te slaan met een skateboard. Hij zou op een groep in Hoenderloo gaan wonen, maar toen bleek dat daar geen plek was moest hij naar De Koppeling in Amsterdam Zuidoost. Een jeugdgevangenis, toen nog. Twee maanden zat hij achter slot en grendel, tussen jongens die mensen hadden neergestoken. „Ik werd behandeld als een crimineel, terwijl ik niets had gedaan.”

Nu is hij 21, bijna 22. Een jongen met een capuchontrui en grijsblauwe ogen die andere blikken een beetje ontwijken. Zijn jeugd, zegt hij, „dat is een heel verhaal”. Hij woont op zichzelf, in Amsterdam-Oost op 37 vierkante meter. De laatste tien jaar is hij heel vaak verhuisd. Een vervolgopleiding heeft hij niet gedaan, ondanks vijf tienen bij zijn examen. Maar het gaat goed. Hij schrijft raps en songteksten, helpt andere jongeren met problemen. En hij blowt al een jaar niet meer.

De groep met jongeren zoals Delano is niet groot, maar wel kwetsbaar. Het zijn jongeren die, omdat ze ernstig worden bedreigd in hun ontwikkeling, door een rechter onder toezicht worden gesteld of uit huis worden geplaatst. Jongeren bij wie hulp geen effect heeft gehad of van wie de ouders niet willen meewerken. Ze vallen niet onder de ‘gewone’ jeugdhulp, maar onder jeugdbescherming. Onlangs bleek uit een zeer kritisch rapport van de inspecties Gezondheidszorg en Jeugd en Justitie en Veiligheid dat deze jongeren op dit moment niet of niet op tijd hulp krijgen. De jeugdbescherming en -reclassering in Nederland zijn op een „onacceptabel laag niveau” beland.

Deze maandag debatteert de Tweede Kamer over hoe het verder moet met de jeugdzorg. Eerder deze maand kondigden ministers Hugo de Jonge (Volksgezondheid, CDA) en Sander Dekker (Rechtsbescherming, VVD) aan te zullen ingrijpen: door het stelsel te „ordenen” moet duidelijker worden wie waarvoor verantwoordelijk is. Ook moeten er regels komen voor „reële prijzen”. Gemeenten hanteren nu soms tarieven die voor aanbieders niet kostendekkend zijn.

Lees ook het interview met Hugo de Jonge: ‘Ik durf niet te zeggen dat het goed gaat in de jeugdzorg’

Om een beeld te krijgen van de huidige problemen sprak NRC met vijf betrokkenen uit de jeugdbescherming. Wat zien zij? En waarom gaat het zo mis?

De kinderrechter

Kinderrechter Susanne Tempel en haar collega’s van de rechtbank Zeeland-West Brabant stelden dit voorjaar vast dat er iets moest gebeuren. Steeds zagen ze op zittingen hetzelfde probleem: door opgelopen wachttijden waren er voor gezinnen geen jeugdbeschermers beschikbaar. „Als wij het verzoek krijgen een kind onder toezicht te plaatsen, dan weet je dat het ernstig is, dat andere middelen niet gewerkt hebben”, zegt Tempel. „Waar zijn we dan mee bezig als die hulp er vervolgens niet is?”

Om duidelijk te maken hoe nijpend de problemen waren werden een aantal uitspraken geanonimiseerd op rechtspraak.nl gepubliceerd. Er zaten zaken tussen van kinderen die te maken hadden met huiselijk geweld, een vader dreigde zijn kind te ontvoeren. Tempel noemt een zaak van een meisje in een gesloten instelling dat bijna achttien werd: iedereen was het erover eens dat zij moest doorstromen naar begeleid wonen. Toch werd gevraagd om verlenging van de gesloten plaatsing. De reden: er was geen enkel uitzicht op een zelfstandige plek.

Bezorgd waren de rechters al in 2015, vlak nadat de verantwoordelijkheid voor jeugdzorg naar gemeenten was overgegaan. Tempel: „Ze bleken totaal niet toegerust op hun nieuwe taak. Wethouders zeiden: we gaan veel doen aan preventie en de zorg laagdrempeliger maken, dus straks zijn er minder uithuisplaatsingen. Mooi, zeiden wij, maar kom ook eens een zitting bijwonen. Als ze dat deden dan was het: ‘O, maar dít is wel ernstiger dan we hadden voorzien.’”

Het kan langer dan acht maanden duren voordat kinderen hulp krijgen

De jeugdbeschermer

Vroeger ging Tisja Poot weleens met kinderen naar de bioscoop of even een hamburger eten. Nu is dat niet meer vanzelfsprekend: er is amper tijd. Toch doet ze het, al betekent dat dat ze in het weekend of de avonduren werk moet inhalen. „Ik wil niet degene zijn die alleen bij gezinnen komt met moeilijke vragen of slecht nieuws. Dan heb je de verbinding niet, die voor dit werk zo belangrijk is.”

Tisja Poot is al twaalf jaar jeugdbeschermer in Den Haag en omstreken. Aan haar de taak adequate hulpverlening voor een gezin te regelen en in de gaten te houden hoe het met de kinderen gaat. Maar ze heeft nu niet de middelen om haar werk goed te doen, zegt ze. „Er is vaak te weinig passend hulpaanbod ingekocht, waardoor ik noodgedwongen moet kiezen voor de op één, twee, of drie na beste optie. Als ik bijvoorbeeld specialistische ggz wil inzetten, is daarvoor een hele lange wachtlijst. Dan regel ik maar een coach die een kind weer naar school helpt. Dat is een pleister, een tijdelijke oplossing. Eigenlijk wil je weten: waaróm gaat hij of zij niet naar school? En wat kunnen we daaraan doen?”

De laatste jaren is haar werk anders geworden. De problematiek is verzwaard, zegt Poot, en sinds de decentralisatie is de bureaucratie toegenomen doordat de regels in bijna iedere gemeente anders zijn. Er zijn veel complexe echtscheidingen bijgekomen, waarbij ouders hun pijlen op de jeugdbeschermer richten. „Het belang van het kind staat dan niet meer centraal.”

Ze ziet jonge collega’s uitvallen. Een aantal jaar geleden kwam ze zelf een tijdje thuis te zitten nadat ze door een vader in één week vier keer met de dood was bedreigd. „Het is natuurlijk ontzettend ingewikkeld: je komt aan iemands kinderen. Woede mag er zijn van mij, maar er zijn grenzen. Dit liet wel z’n sporen na.”

De bestuurder

Jeugdbescherming is ingewikkeld georganiseerd, zegt bestuurder Astrid Rotering van Jeugdbescherming West, een van de zestien gecertificeerde instellingen (GI’s) die in Nederland begeleiding leveren na rechterlijke uitspraken. „Bij vermoedens van kindermishandeling wordt eerst Veilig Thuis ingeschakeld. Zijn er ernstige signalen, dan doet de Raad voor de Kinderbescherming uitgebreider onderzoek en brengt advies uit aan de kinderrechter. Na uitspraak van de rechter komen wij in beeld, en kijken onze jeugdbeschermers met het gezin hoe we de situatie moeten aanpakken.” Deze drie instanties, zegt Rotering, worden apart gefinancierd en werken vanuit verschillende rechtsposities.

Nu er op al die plekken een wachtlijst is, kan het langer dan acht maanden duren tot er daadwerkelijk hulp wordt geregeld. De wettelijke termijn waarbinnen een jeugdbeschermer na uitspraak van een rechter met een gezin in contact moet komen, is vijf werkdagen. „Dat lukt ons nu ook niet altijd”, zegt Rotering. Haar instelling beoordeelt alle casussen die binnenkomen en doet wat acuut nodig is. „Wat er binnen een gezin moet veranderen, bekijken we zodra we een vaste jeugdbeschermer kunnen aanwijzen. Maar dat wil je eigenlijk vanaf dag één.”

Door de huidige krappe arbeidsmarkt, zijn er minder mensen die het zware werk kunnen en willen doen. De ‘caseload’ per medewerker is toegenomen. Rotering: „Onze jeugdbeschermers hebben per persoon dertien tot vijftien gezinnen onder hun hoede, dat zijn ruim twintig kinderen. Reken maar uit: als je 36 uur werkt, dan heb je anderhalf, twee uur per kind, per week. In die tijd moet je reizen, mee naar de rechtbank, op huisbezoek, en administratie bijwerken.”

Over de plannen van het kabinet om zwaardere zorgtaken regionaal te organiseren, is Rotering positief. Wel moeten er op korte termijn „middelen bij”. Ze wil ook alvast een oplossing aandragen: „Stop al die mensen die zich met kindermishandeling bezighouden nu eens bij elkaar, voeg een aantal functies van Veilig Thuis en de Raad voor de Kinderbescherming en de GI’s samen. Waarom zouden drie instanties onderzoek moeten doen naar één gezin?”

De wethouder

Ook Bob Duindam, D66-wethouder in de gemeente Oudewater, vindt dat er te veel schakels zitten in de jeugdbeschermingsketen. „De regering heeft bij de vorige stelselwijziging de jeugdbescherming verder in stukjes gehakt, en ingewikkelder gemaakt.” De verantwoordelijkheid is nu verdeeld over instanties met elk eigen prikkels en belangen, aldus de wethouder. Zicht op de organisatie is er daardoor niet.

Van gemeenten, zegt Duindam, wordt verwacht dat ze de kosten onder controle houden. Maar omdat beroepskrachten sinds 1 januari de plicht hebben vermoedens van kindermishandeling te melden, heeft de gemeente geen enkele grip op de vraag. „Op dit moment is het met die meldingen behoorlijk aan het ontsporen. Er gaat steeds meer geld naar instanties die onderzoek doen, regie voeren en monitoren, maar geen hulp verlenen. Als we iedere patiënt met een mogelijk risico langs de intensive care zouden sturen, loopt toch ook de hele gezondheidszorg vast?”

Net als veel andere gemeenten heeft Oudewater (10.000 inwoners), een gat in de jeugdzorgbegroting. Zes ton op ongeveer 1,1 miljoen. „Een riant tekort”, noemt de wethouder het. Het verschuiven van zware zorg van de gemeente naar de regio, zoals het kabinet wil, is volgens Duindam niet de oplossing voor de huidige problemen. „De regio is weer een extra laag tussen gemeenten, provincies en het Rijk. En bovendien werken we binnen onze provincie al samen. Zorg eerst dat de keten logisch is.”

De ouder

Martin Kuus is vader van twee dochters die vorig jaar uit huis geplaatst werden. Sindsdien, zegt hij, vecht hij tegen het systeem. Het begon ermee dat de rechter oordeelde dat de uithuisplaatsing zo snel mogelijk weer beëindigd moest worden. Maar de voorwaarden daarvoor werden niet getoetst, en dus gingen de kinderen volgens Kuus terug naar zijn vrouw „terwijl zij zich aan geen enkele afspraak hield”.

Niemand doet aan waarheidsvinding – het is een van de dingen die hem het meest dwarszit. „Hulpverleners zeggen dat het niet hun taak is. Maar als zij het niet doen, wie dan wel? De Raad voor de Kinderbescherming en de rechter gaan blind af op wat zij rapporteren. Persoonlijke meningen en voorkeuren worden zo voldongen feiten, met grote impact.” Volgens Kuus is er geen controle. Een beroep op de geschillenregeling bij de rechtbank schort de uitvoering van een vonnis niet op. „Als je zegt dat je het er niet mee eens bent, dan ben jij de opstandige ouder. Je wordt op een zijspoor gezet.”

Ondertussen worden zijn dochters niet geholpen. „Toen de zorg vanwege een verhuizing van hun moeder aan een andere regio werd overgedragen, zouden daar volgens de rechter per direct gezinsvoogden beschikbaar zijn. Dat bleek een regelrechte leugen. Ze staan nu al maanden op een instroomlijst. Jeugdbescherming is betrokken sinds mei 2017, maar nog niemand heeft zich écht in hun situatie verdiept. Zodra het misgaat tussen ouders komen ze scheidsrechter spelen. Maar in plaats van emmers water, gooien ze emmers kolen op het vuur.”

Delano heeft zijn vader nu al een jaar of zeven niet gesproken. Hij vindt het prima zo, hij heeft een oudere broer die er altijd voor hem is. Hij is trots op wat hij dit jaar heeft weten te bereiken. Binnenkort gaat hij een track opnemen, en zal hij als ervaringsdeskundige andere jongeren gaan begeleiden. „Dan kan ik zeggen: het komt goed, kijk maar naar mij. Ik heb hoop voor iedereen.”