Reizend water

Schilderkunst Opnieuw zijn veertig werken van vermaarde Nederlandse schilders in vijf kleine musea te zien. Thema: water. Startpunt: Hoorn.

Hendrik Martensz Sorgh: Storm op de Maas (1668)
Hendrik Martensz Sorgh: Storm op de Maas (1668)

Met z’n vijven zaten ze op een terrasje, in de schaduw van een oude boom. Het was zomer, in de hoge, zachtblauwe lucht dreven een paar wolkjes, ze werden weerspiegeld in het water van de grachten. Er voeren bootjes, de zeilen licht gebold. Aan weerszijden van het water de grachtenhuizen, tegen de leuning van bruggetjes hier en daar opgeschoten jongens.

Als museumdirecteuren waren ze er extra gevoelig voor: hoeveel schilders hadden dit soort taferelen wel niet weergegeven door de eeuwen heen. Maar voor een kunsthistorische beschouwing waren ze niet samengekomen, ze zaten hier omdat ze wat te vieren hadden. Hun bij het grote publiek onbekende musea hadden een succes weten te maken van de expositie Rembrandt in zwart-wit. Ruim honderd van diens originele etsen, eigendom van een particuliere verzamelaar, hadden steeds een paar maanden in hun musea gehangen, waarna ze doorreisden naar het volgende museum. Hoorn, Harlingen, Zutphen, Gouda en Bergen op Zoom: zelden hadden ze in korte tijd zoveel publiek gehad. En: niet eerder waren ze er als klein museum in geslaagd zo boven het eigen kunnen uit te stijgen.

Dus dat was het onderwerp van gesprek, die zomermiddag drie jaar geleden. Kon zoiets niet nog een keer? Was het niet mogelijk een doorstart te maken?

M5 heten ze intussen, ‘Stichting de vijf samenwerkende musea in Nederland’. En ze bedachten, geïnspireerd door het panorama, een reeks rondreizende tentoonstellingen rond de vier elementen aarde, water, lucht en vuur. De reeks begon vorig jaar januari met Lage Landen, veertig schilderijen van Nederlandse landschappen uit de 17de, 18de en 19de eeuw. Eind oktober opende in Hoorn Koele Wateren, een tentoonstelling over rivieren en dijken, plassen en vaarten, vissers en strand, zee en zeevaart. Opnieuw: veertig werken, gemaakt door vermaarde schilders als Jan van Goyen, Anton Mauve, Hendrik Willem Mesdag, Jacob Maris en Isaac Israëls. Opnieuw: allemaal uit (het depot van) het Rijksmuseum.

Deze morgen lopen directeur Ad Geerdink van het Westfries Museum in Hoorn en Gerard de Kleijn, in 2016 directeur van Museum Gouda en nu projectleider van M5, over de tentoonstelling-in-aanbouw. Overal staan kisten die nog moeten worden uitgepakt, hier en daar inspecteren medewerkers schilderijen. Geerdink vertelt dat het museum boven de schilderijen dichtregels gaat projecteren. Grauw is uw hemel en stormig uw strand/ Naakt zijn uw duinen en effen uw velden van Potgieter. Maar bijvoorbeeld ook: Het is een dorp/ Niet ver van hier/Een boerendorp/ Aan een rivier/ Nu is ’t er stil/ ’t Is wintertijd/ Er heerst de griep/ En knorrigheid/ De dag is kort/ De hemel grauw/ En pas maar op/ Je vat nog kou van Drs.P.

Eigen extra’s

Gaan de andere musea dat ook doen? Misschien, „het hangt ook samen met je technische mogelijkheden natuurlijk”. Geerdink: „Het museum dat de eerste tentoonstelling heeft, vindt een beetje het wiel uit. Welke schilderijen hang je bij elkaar, hoeveel zalen richt je in, wat voor kleur geef je de muren.” De andere vier kunnen dat overnemen, maar het staat ze vrij om het anders te doen. Sowieso heeft elk museum zijn eigen extra’s. In Hoorn wordt dat bijvoorbeeld een mini-presentatie van ‘maritieme pentekeningen’, waaronder het eigen, net verworven Een oorlogsfregat en ander scheepsverkeer in stormachtig weer van de Hoornse zeeschilder Olfert de Vrij.

Gerard de Kleijn was drie jaar geleden degene die zei: „Voor die vier elementen hebben we bruiklenen nodig, laten we een paar belangrijke depots aanschrijven. We beginnen bij het Rijks.” De Kleijn: „Maar Taco Dibbits zei meteen ‘ja’ tegen álles.”

Rijksmuseum-directeur Dibbits „vindt het altijd goed om te ontkooien”, verklaarde hij later in een vraaggesprek voor de catalogus van Lage Landen: van samenwerken kun je leren. In dat verband wisselden de directeur van het Rijks (600 voltijdbanen, 2 miljoen bezoekers per jaar) en directeur Hugo ter Avest van Gemeentemuseum Het Hannemahuis in Harlingen (2,9 voltijdbanen, 11.000 bezoekers) vorig jaar november een dagje van werkplek. Dibbits na afloop tegen de Leeuwarder Courant: „Uiteindelijk ben je beide een museum. Met een deur die geopend moet worden en bezoekers die welkom geheten moeten worden en uitleg moeten krijgen.”

Onbekende parels

Het idee van de musea sloot ook aan bij een andere doelstelling van het Rijks: schilderijen uit het overvolle depot elders in het land tonen, collectiemobiliteit wordt dat genoemd. Daarbij is het wel nodig dat in het desbetreffende museum beveiliging en klimaatbeheersing op orde zijn. Lage Landen zou in januari 2018 aftrappen in Bergen op Zoom, maar dat ging om die reden niet door. Na investeringen in klimaatbeheersing werd het museum nummer vier in de rij. Hete Vuren begint in 2023 wél in Bergen op Zoom, Hoge Luchten start in 2021 in Harlingen.

Het Rijksmuseum heeft 1,5 miljoen objecten in depot, al zijn dat lang niet allemaal schilderijen. Hoe zoeken de musea de veertig schilderijen voor de tentoonstellingen uit?

Daarvoor zijn zes criteria gekomen, vertellen ze, waaronder regionale spreiding, veelzijdigheid (niet alleen de zee), een tijdslijn en onbekende parels. Zo is Gerard de Kleijn deze keer erg ingenomen met Landschap met overtoom uit 1660, een enorm doek van een anonieme schilder dat zelden het depot verliet. Links van een bochtige rivier zie je een indertijd net uitgevonden constructie, een houten overtoom. Daarmee konden vaartuigen over de dijk naar een andere waterweg worden gesleept, zonder dat er een schutsluis aan te pas hoefde te komen. Een paar figuren staan ernaast op hun beurt te wachten, als je goed kijkt zie je ook mensen lopen over het zandpad langs de rivier. „Een sterk staaltje Nederlands vernuft”, vermeldt het bijschrift.

Want ook daarover gaan deze tentoonstellingen, dat wil zeggen: over identiteit. De Kleijn: „Met als invalshoek de vier elementen willen we de identiteit van ons land onderzoeken. Wat maakt Nederland tot Nederland?” Bij elke tentoonstelling hoort een essay, voor Lage Landen schreef socioloog Paul Schnabel dat, bij Koele Wateren betoogt historicus James Kennedy dat het water misschien niet helemáál onze identiteit bepaalt, maar dat je er als bezoeker van de tentoonstelling niet aan ontkomt „het water als ‘the art of a nation’ te beschouwen”.

Behalve dat ze terugblikken, kijken de tentoonstellingen ook vooruit. In het geval van Koele Wateren heeft LOLA Landscape Architects uit Rotterdam een kaart gemaakt van Nederland in 2200. De zeespiegel is zes meter gestegen, wat hebben we daartegen ondernomen? Dat is dan weer te zien in de film Waterstaat MMCC, met voor elk van de vijf steden een ander scenario. Zutphen wordt in de film booming en krijgt een strand, Gouda zet in op onderwatertoerisme, Amsterdam verliest het Concertgebouw aan Bergen op Zoom.

De première was vorige week in Hoorn. In Cinema Oostereiland, een in de zeventiende eeuw aangelegd kunstmatig eiland, dat indertijd de havencapaciteit moest vergroten. Geerdink, lachend: „Een toepasselijke locatie, ja. Wij hebben als land in de loop van de geschiedenis altijd kansen gezien in de omgang met het water.”