Opinie

Hoe komt een boer aan luizen

Tommy Wieringa

In alle eenvoud geleefd, in alle eenvoud gestorven, stond er boven de rouwadvertentie van Theo Gehring, de laatste kruidenier van Geesteren en omstreken. Hij overleed vorige week, 66 jaar oud. Vroeger kocht ik wel eens snoep bij hem, mijn vader haalde in zijn winkeltje levensmiddelen en tabak. Aanvankelijk stond zijn moeder achter de toonbank, later Theo. Toen wij halverwege de jaren zeventig buiten het dorp kwamen wonen, ging zijn vader nog met paard en wagen de buurtschap door voor de wekelijkse boodschappen. Hij werd Klap Jan genoemd omdat de deurtjes van de wagen zo klepperden, zoals zijn zoon Bakkers Tilly werd genoemd omdat hij zo’n vreemde, hoge stem had. Na 109 jaar is er nu een einde gekomen aan de grutterswinkel die Theo’s grootvader in 1910 opende langs de juist verharde Langeveenseweg.

Pas veel later in het leven ontdekte ik in Theo een romanfiguur. De eenzaat aan de rand van de gemeenschap, onbegrepen door velen en door gefluister omringd. Het enige begrip waar hij op kon rekenen kwam van zijn naaste buren, de noabers, en van klanten die van oudsher in de winkel kwamen. Of er van hem werd gehouden, weet ik niet.

Ik verliet Geesteren lang geleden maar ben er altijd blijven terugkomen, ook nadat mijn vader zijn woonboerderij in de bocht van de weg allang weer had verkocht. Ik had mijn auto in onderhoud bij de autofilosoof in Langeveen, een ex-sanyassin die vroeger bij ons op het erf woonde. Een interessante kerel, zo slim als wat. Hij toonde me de achterkant van het leven in het Twentse grensgebied – het gesjacher en gesappel van de autohandelaars en monteurs buiten de bebouwde kom, van de patatbakkers in het dorp en de Chinezen achter de bar bij Hu Dynasty. Soms stopte ik bij Theo voor een praatje. Je kon hem beter niet vragen hoe het ervoor stond. Zijn eigen aftakeling hield gelijke tred met die van zijn winkel. Steeds minder klanten, steeds langer geleden de uiterste houdbaarheidsdatum van de levensmiddelen op de planken.

Het duurde achteraf gezien nog geheimzinnig lang voordat ik begreep dat zich in mijn notities over hem en zijn omgeving een roman verborg. De aantekeningen en bezoeken werden veelvuldiger en gerichter. Het luisteren was afluisteren geworden, de gesprekken verhoren. Omdat ik wilde weten hoe Theo leefde, aasde ik op een kop koffie in het woonhuis naast de winkel, waar ik nog nooit was geweest. Het kan zijn dat ik mezelf heb uitgenodigd om de dode vliegen en de stapels Story’s in de vensterbank te zien, de versleten oortjesstoel voor de tv en de portretten van zijn ouders op het dressoir. Met de vraatzucht kwam de wroeging mee, want het is onbescheiden en intrusief om je andermans leven toe te eigenen. In Moby Dick schrijft Herman Melville ergens dat het geloof, net als de jakhals, zijn voedsel vindt tussen de graven; als een jakhals gedroeg ik me tussen de levenden.

Toen het boek klaar was, bracht ik Theo een exemplaar. Hij sloeg de kassa aan en had de hand al in geldlade – wat of het boek kostte. Hij wilde betalen voor iets wat zonder hem niet hetzelfde zou zijn geweest, hij had er geen idee van hoe diep ik bij hem in het krijt stond.

De laatste keer dat ik hem in zijn winkel zag, zei hij bij het afscheid: ‘Je hoort het wel als ik dood ben’. Maar dood was hij nog niet toe ik hem van de zomer in een hospice in Hengelo bezocht. Aan de rand van het bed luisterde ik hoe hij vertelde over de ‘leu oet ’t west’n’ die voor zijn toonbank waren opgedoken en vroegen of dit de winkel uit ‘De heilige Rita’ was. Je had er niks aan, aan die lui, zei Theo, ze kochten nooit wat. Hoe wij elkaar kenden, hadden ze gevraagd. ‘Hoe komt een boer aan luizen’, had hij gezegd. Een goed antwoord. Niks jakhals. Luis.

Tommy Wieringa schrijft elke week een column op deze plaats.