Opinie

Het turbulente buitenland is voor de Nederlandse politiek te groot geworden

Diplomatie

Commentaar

Het voordeel van een klein land is dat het veel buitenland heeft, luidt een veel aangehaalde uitspraak van Joseph Luns, de langstzittende minister van Buitenlandse Zaken (1956-1971) die Nederland gekend heeft. Dat kleine, zo afhankelijke land heeft op dit moment te maken met een ongekend stormachtig buitenland. Alles staat op zijn kop. Maar dit besef dringt maar mondjesmaat door.

De naoorlogse buitenlandpolitiek van Nederland kent traditioneel twee vaste ankers: de bijzondere relatie met het Verenigd Koninkrijk en die met de Verenigde Staten. Beide relaties stonden eerder niet zo onder druk als nu. De Britten staan op het punt de Europese Unie te verlaten. In de Verenigde Staten is met Donald Trump een president aan de macht die bij herhaling laat weten weinig op te hebben met Europa en het trans-Atlantisch bondgenootschap. Het leidde vorige week bij de Franse president Emmanuel Macron tot de constatering dat de NAVO „hersendood” is.

Op het geopolitieke krachtenveld is van alles in beweging met één pijnlijke en verontrustende constante: de Europese Unie speelt nauwelijks een rol van betekenis. De recente ontwikkelingen in Syrië maken dat duidelijk. Rusland en de Verenigde Staten bepalen het spel en de spelregels in deze explosieve achtertuin van Europa.

Wordt iets verder uitgezoomd dan manifesteert de nieuwe wereldorde zich steeds luider met landen als China en India die hun plaats opeisen. Wanneer andersom juist wordt ingezoomd dan laat het Nederland omringende buitenland ook diverse ontwikkelingen zien die tot nadenken stemmen. In de Balkan is sprake van toenemende onrust, Spanje is in de ban van het separatisme, de hang naar autocratisch leiderschap (Hongarije, Polen, Bulgarije) groeit.

Er is dus wel het één en ander aan de hand in de wereld die ligt om het landje aan de Noordzee waarvan de regering twee maanden geleden op Prinsjesdag tevreden voor het zevende achtereenvolgende jaar economische groei kon melden. Het zoals gebruikelijk na de presentatie van de Miljoenennota in de Tweede Kamer volgende grote politieke beleidsdebat was een echo van het optimisme.

De enige niet-aanwezige minister bij deze jaarlijkse politieke hoogmis was Stef Blok (Buitenlandse Zaken, VVD). Hij had bezigheden in Straatsburg maar werd ook absoluut niet gemist. Het buitenland kwam in de bijdragen van de Nederlandse politieke leiders niet voor.

Deze week was Blok wél in de Tweede Kamer om zijn begroting te verdedigen. Tevens het moment om de ontwikkelingen in het voor Nederland zo relevante buitenland te bespreken. Maar de notie dat er werkelijk wat fundamenteels gaande is, ontbrak grotendeels zowel bij de Tweede Kamer als bij de minister.

De grote vragen over hoe Nederland zich moet verhouden onder de nieuwe omstandigheden kwamen niet of nauwelijks aan de orde. Wel volop ruimte voor ieders vertrouwde stokpaardjes variërend van de etikettering van producten uit de door Israël bezette gebieden in het Midden-Oosten tot een evenwichtige samenstelling van de diplomatieke dienst, maar geen diepgravende beschouwingen over de schuivende panelen op het wereldtoneel.

Zoiets heet visie en dat is een begrip waar minister Blok in navolging van premier Rutte heel weinig mee op heeft. En natuurlijk is visie ook niet zaligmakend. D66-voorman Hans van Mierlo liep in de jaren negentig in zijn tijd als minister van Buitenlandse Zaken over van visie, maar met de effectiviteit van het Nederlands buitenlands beleid was het aanzienlijk minder gesteld. Toch is iets van gedachtenvorming die verder gaat dan de agenda van het volgende internationale ministeriële treffen wel zo gewenst. Al was het alleen maar om de denkkracht van het qua strategische buitenlandpolitiek ingedutte departement te reactiveren.

Daar is meer dan ooit aanleiding toe. Als de NAVO ter discussie wordt gesteld en ontwapeningsakkoorden worden opgezegd vraagt dat om een visie over het veiligheidsdenken.

Als de Europese Unie een van de belangrijkste lidstaten verliest en op internationaal politiek terrein verder marginaliseert, vraagt dat om een gedegen antwoord.

Als blijkt dat zich in Afrika razendsnelle demografische en economische ontwikkelingen voordoen, vraagt dat om herbezinning van bestaande wetmatigheden.

Alles beweegt, maar ondertussen trekt Nederland de dekens nog iets op en draait zich voldaan om. Om Joseph Luns te parafraseren: het buitenland is voor de Nederlandse politiek te groot geworden.