Als de innerlijke cohesie en onderlinge collegialiteit krimpen in de Trêveszaal

Deze week: waarom Rutte III dit najaar zijn agendamacht verloor.

Ofwel: berichten over ambitie, verminderde coherentie en afnemende collegialiteit in de Trêveszaal.

Politiek is nu beeldregie. Dinsdagmiddag was de top van de coalitie bijeen op het ministerie van Volksgezondheid om - eindelijk – eerste besluiten over stikstof te nemen.

Toen ik er even langsliep wisten wachtende verslaggevers, zij stonden hier al uren, dat de politici na afloop alleen korte verklaringen zouden afleggen. De officiële presentatie van de besluiten was gepland voor de volgende dag.

Een slimme televisieverslaggeefster vertelde dat ze dit wel begreep. Nu zouden de beelden bij het nieuws van vandaag – maximumsnelheid van 130 naar 100 km/uur – komen van het Catshuis, waar de premier later die middag een ontmoeting met bouwers had.

Beelden die het kabinet goed uitkwamen: ze maakten in één oogopslag duidelijk dat die snelheidsmaatregel alleen werd getroffen omdat anders de bouw stilviel.

Precies de benodigde beeldregie.

Het kon niet verbloemen dat Rutte III ontnuchterende maanden achter de rug heeft. Een kabinet dat er na de zomer kerngezond voorstond, verloor razendsnel en zonder tegenspel de greep op het nationale gesprek.

Een bonte stoet ontevredenen nam het over. Klimaatstakers, boeren, bouwers, leraren en - binnenkort - automobilisten en verpleegkundigen kaapten de agenda van het kabinet.

Dus los van de opluchting deze week – eindelijk een beginnende aanpak van de stikstofcrisis – had je ook mensen in het politiek-bestuurlijke circuit die zich afvroegen hoe Rutte III zijn ijzersterke positie zó gemakkelijk kon verspelen.

Zoals een hoge ambtenaar zei: „Waarom is ze dit door de vingers geglipt?”

De eerste verklaring is dat het stikstofdossier verschrikkelijk ingewikkeld was (en is) - maar er speelt veel meer.

Betrokkenen vertellen over een gebrek aan coherentie in de Trêveszaal. En over het feit dat het bestuursmodel van Rutte III zo ingewikkeld is dat zelfs de invloedrijkste spelers niet altijd weten waar het machtscentrum ligt.

Zo heb je in de coalitie aanhoudende discussie over het gebrekkige dualisme. Laatst schetste ik in deze rubriek dat de fractievoorzitters van de coalitie in veel crisisdossiers de rol van een raad van bestuur vervullen. Het is de effectiefste manier om tot besluiten te komen.

Maar de keerzijde van dit supermonisme – ministers die niet altijd het eigen beleid bepalen – zit bewindslieden dwars. Het speelde mee bij de keuze de stikstofmaatregelen woensdag met vier ministers te presenteren.

Er was geen fractievoorzitter te bekennen, en ook hier was goed over de beeldregie nagedacht: de regering moest regeren.

Maar de werkelijkheid is minder duidelijk. De premier mag graag benadrukken dat de sfeer in ‘het team’ goed is, en het is waar dat ministers zelden klagen over zijn rol. Maar niet elke aanwezige in de Trêveszaal ervaart alleen collegialiteit.

Zo had je vorige week de verwondering over de manier waarop Bijleveld (Defensie, CDA) in het debat over burgerslachtoffers in Irak de VVD’ers Rutte en Hennis in de wind zette. In de nazomer was er al de openlijke strijd tussen de ministers van Financiën en EZ over het WopkeWiebes-investeringsfonds.

En vorige week vrijdag kreeg ook vicepremier De Jonge (Volksgezondheid, CDA) kritiek van collega-ministers omdat hij ’s ochtends voor de ministerraad in NRC stond met een ingreep in de jeugdzorg.

Zoals een ingewijde zei: er zitten in de Trêveszaal vier ministers die met de gedachte spelen (opnieuw) lijsttrekker te worden: Rutte (VVD), Kaag (D66), Hoekstra en De Jonge (CDA). Collega’s beloeren elkaar. „Je krijgt solisme.’’

Het betekent ook dat bruggenbouwers in de Trêveszaal – ministers als Rutte, Schouten (Landbouw, CU) en Koolmees (Sociale Zaken, D66) – niet altijd bereiken wat de fractievoorzitters kunnen: de lastige eindjes aan elkaar knopen. En dus lukt het amper het supermonisme ongedaan te maken.

Het leidde er mede toe, aldus de ingewijde, dat het kabinet dit najaar de innerlijke coherentie miste om tegenspel aan het oplaaiende maatschappelijk protest te bieden.

Fractievoorzitters uit de coalitie gaven vanzelfsprekend alleen hun partijreactie op het protest. Maar tekenend genoeg had ook het kabinet geen gezamenlijke opvatting.

Zo gebeurde het dat demonstrerende groepen op het Malieveld door bijna alle coalitiepolitici naar de mond werden gepraat. Het boerenprotest, geïnitieerd door een veevoermultinational, werd ook door ministers omarmd. Het bouwprotest, met een belangrijke rol voor werkgevers, daarna ook.

Gênante momenten waarop bewindslieden leiderschap suggereerden maar volgzaamheid toonden.

Je kon er een positieve draai aan geven: ruimte voor de maatschappij. Maar vanuit het kabinetsbelang was dit desastreus: coalitiepolitici die hun agendamacht weggaven en de eigen coalitie verzwakten.

Want zonder agendamacht komt geen kabinet nog tot de kern van het regeren: deelbelangen ondergeschikt maken aan het algemeen belang.

Zo weet iedereen intussen dat bij een structurele oplossing van het stikstofprobleem het belang van de bouw tegenover dat van de veeteelt staat. Een kabinet kan hierin pas geloofwaardig manoeuvreren als het gezonde afstand van alle deelbelangen bewaart.

En nu datzelfde kabinet het groepsegoïsme van landbouwers én bouwers beloonde, kon je het daarna de leraren, klimaatstakers, verpleegkundigen en automobilisten moeilijk kwalijk nemen dat ook zij primair voor zichzelf opkwamen.

Zelfs VNO-NCW, de invloedrijkste lobby van Den Haag, vormde zich deze week om tot boze activist. Voorzitter Hans de Boer, jaren kind aan huis bij bewindslieden, dreigde met een schadeclaim omdat het kabinet te streng zou zijn geweest bij regelgeving voor vervuilde (PFAS-)grond. Het kind in hem.

Het landelijke CDA ervoer de keerzijde van eenzijdige steun aan het boerendeelbelang. Een passage in een discussiestuk waarin duurzaamheid en dierenwelzijn gelijk werd gesteld aan landbouwexport, sneuvelde in twee dagen na een protestactie van Europarlementariër Annie Schreijer-Pierik.

De Annie-aanpak als symbool van de zege van de deelbelangenpolitiek – mede mogelijk gemaakt door Rutte III.

Het interessante is wel: je hebt ook leidinggevende coalitiepolitici, merkte ik, die deze sombere kijk op de gang van zaken relativeren. Ik sprak er een die er uitgesproken over is. Hij zegt dat de agendamacht van een coalitie sowieso altijd beperkt is. En ook dat een coalitie als de huidige zo gecompliceerd in elkaar zit, met zoveel contacten en overlegjes, dat je nooit precies weet wie de meeste invloed heeft.

De meeste politieke carrières beginnen lokaal, zei hij, je wordt notulist of afdelingssecretaris, en op een dag raadslid. Je ruikt aan macht. Je wilt dichterbij komen, je wordt Kamerlid – nog steeds kun je het machtscentrum amper vinden.

Op een dag krijg je een hoge functie. Toegang tot de premier, het kabinet, de fractievoorzitters – je bent iemand.

Het besef dat je dan opdoet, vertelde hij, is dat het huidige Den Haag niet één plek heeft waarvan je kunt zeggen: hier wordt het land geregeerd.

Je ziet overlegjes van Kamerleden, ministers, adviseurs en ambtenaren. Je ziet buitenstaanders inbreken (demonstranten, deskundigen, lobbyisten), maar je weet uiteindelijk zelden, zei hij, wie de meeste invloed op een besluit heeft.

Het kwam erop neer dat hij zei: zelfs als je in dit Den Haag heel dichtbij het vuur zit, weet je nooit waar precies de macht ligt. Zo diffuus is het, dacht hij.