Opinie

Wat het westen kan leren van postkoloniale literatuur

Verweylezing Nu het Westen doordrongen lijkt te zijn van de angst voor verlies, valt er iets te leren van de manier van kijken van postkoloniale schrijvers, betoogt Karin Amatmoekrim.

Schrijver Karin Amatmoekrin.
Schrijver Karin Amatmoekrin.

Dit is de beste van alle mogelijke werelden, zo verzuchtte Candide, de hoofdpersoon van Voltaires gelijknamige novelle in 1759. De verzuchting werd geslaakt voordat Candide van zijn kasteel en comfortabele leven in Westfalen werd verdreven omdat hij de beeldschone dochter van de baron had gekust. Wat volgde was een reeks ontnuchterende ervaringen in andere delen van de wereld, die hem met harde hand van zijn optimistische geloof deed vallen. De druppel die zijn emmer deed overlopen, kwam aan het eind van het boek, toen hij Suriname binnentrok en een naamloze zwarte man tegen het verminkte lijf liep, wiens linkerbeen en rechterhand waren afgehakt door de bekende Nederlandse koopman, meneer Vanderdendur. Candide verloor dan en daar, zijn geloof in het optimisme van zijn leermeester Pangloss. ‘O, Pangloss,’ riep Candide uit. ‘Van zulke schanddaden had je geen vermoeden. Nu is het uit! Ik geloof niet langer in dat optimisme van je!’

Het boek was een kritiek op het toen heersende optimisme en wat Voltaire ermee wilde zeggen was duidelijk; wie zich ook maar enigszins bewust is van het onrecht in de wereld kan nooit vertrouwen in het idee dat dit de beste van alle mogelijke werelden is.

Wie op school les krijgt over Voltaires boek, leert dat het gaat over het verlies van een dominant wereldbeeld dat gaandeweg wordt ingeruild voor een nieuw – pessimistischer of realistischer – perspectief. Maar ik zou graag het beeld even willen kantelen en ons op dat ándere personage richten. Want terwijl Candide op dit punt in het boek zijn overtuiging verloor, verloor de naamloze zwarte in het boek niets. Niets wat hij niet al eerder kwijt was geraakt. Zijn ledematen, ja. Maar waren die wel van hem, als zijn lichaam in het bezit was van een slaveneigenaar? Zijn land, het West-Afrikaanse Guinee, was hij al kwijtgeraakt en zou hij nooit meer terugzien. En zijn naam, afgenomen en ingevuld door een Hollandse handelaar, wordt niet eens genoemd in het boek waarin hij een zo beslissende rol speelde.

Het perspectief van de naamloze zwarte man toont dat er niet alleen voor hem een wereld verloren is geraakt. Het was een wereld die voor altijd voor de mensen na hem verloren zou blijven. Zijn perspectief ontsluit een ongemakkelijke werkelijkheid, namelijk dat om Suriname te construeren, de Caraïben, de Arowakken en de Trio werden verdreven, en mensen uit Afrika, Indonesië, India en China werden weggehaald. Het zijn historische feiten die we leren uit onze geschiedenisboeken. Maar minder vaak beseffen we dat al deze mensen een wereld verloren bij het vormen van een nieuwe. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het idee van verlies in veel postkoloniale literatuur centraal staat. Want je zou kunnen zeggen dat wat al die verschillende mensen in deze nieuwe wereld met elkaar verbond, het verlies was.

Het verlies van het westen

Nu het Westen doordrongen lijkt te zijn van de angst voor verlies – verlies van een cultuur zoals we die kennen, van een geschiedenis zoals die ons altijd verteld is geweest, van een aarde die we voor vanzelfsprekend hebben genomen – vraag ik me af of het Westen iets kan leren van wat ik maar de poëtica van het verlies noem; de manier van kijken van postkoloniale schrijvers.

Gravure uit een editie uit 1785 van Candide, ou l’optimisme. Illustratie DeAgostini/Getty Images

De ingewikkelde zoektocht naar identiteit is immers niet meer voorbehouden aan de migrant. Wij allemaal, u en ik samen, herijken onze posities langs allerlei intersectionele assen om te bepalen waar we staan, om te bepalen wie we zijn. Sommigen zeggen: om te bepalen wie we mógen zijn. En het gaat daarbij veel minder om wie we zijn als individu, dan dat het gaat om wie we zijn als samenleving, als natie; wat ons bindt en wat ons definitie geeft. In de postkoloniale literatuur wordt al langer nagedacht over de identiteit van wat Michiel van Kempen, hoogleraar West-Indische letteren, in zijn boek De Surinaamse literatuur 1970-1985 (1987) het ‘collectief eigene’ noemde. Suriname moest – net als zoveel andere postkoloniale samenlevingen – een nationale identiteit zien te vormen uit een veelvoud van etniciteiten. Elke groep nam een eigen geschiedenis, een eigen religie en een eigen set van eigenaardigheden met zich mee. Net als de huidige samenleving in Nederland moesten ook in Suriname al die verschillende perspectieven zich onder grote politieke druk verhouden tot elkaar.

Genegenheid

Nu kun je zeggen dat elke samenleving een nieuwe samenleving is die zich steeds weer in een nieuwe vorm moet nestelen. Hoe een samenleving omgaat met die veranderlijkheid is afhankelijk van veel verschillende factoren. Welvaart is er een, vermoed ik. Een andere bepalende factor is de genegenheid om zich aan een nieuwe tijd aan te passen. En dat daartoe lang niet iedereen genegen is, dat kunnen we afmeten aan de populariteit van rechtspopulistische politici in de Tweede Kamer.

Ik gebruik opzettelijk het woord ‘genegenheid’ hier, omdat het niet alleen de betekenis heeft van bereidwilligheid, maar ook van emotionele nabijheid. Dat idee van vriendschappelijkheid is belangrijk, omdat nieuwe en andere manieren van leven vaak worden geïntroduceerd door mensen die niet tot dezelfde stam of oorsprong behoren. Daartegenover staat: wie die nabijheid van de ander niet wenst, verzandt al snel in een retoriek over ‘het Nederlandse volk’ en ‘de Nederlandse geschiedenis’ als onderdeel van een vaststaande, rigide Nederlandse identiteit. Schijnwetenschappers (en ik wil toevoegen mislukte schrijvers) als Thierry Baudet bedienen zich dan van een doorzichtige voorstelling van de ideale samenleving die er een is van strijd. Er moet gevochten worden voor behoud van vertrouwde ideeën, zelfs – of juist – als zij gelden als achterhaald. Wie nieuwe perspectieven aanreikt, wordt aangemerkt als vijandig en als een gevaar voor de gewenste eenheid. De nuance wordt overschreeuwd en de wereld gereduceerd tot een overzichtelijk spel van zwarte lijnen en witte vlakken. Een wereld opgedeeld in wie bij ons hoort, en wie niet. Het is makkelijk teruggrijpen naar het verleden, omdat het een tijd is waarin we niet zelf hebben geleefd en waarvan we kunnen ontkennen dat die even rommelig en genuanceerd was als onze eigen tijd. Een verleden bovendien dat we kunnen reduceren tot precies die elementen die ons nu zo goed uitkomen.

Maar we moeten argwanend staan tegenover elk narratief dat de wereld als een overzichtelijk geheel beschrijft in plaats van de werkelijkheid te tonen zoals die zich aandient; verwarrend, chaotisch, onaf, bij vlagen smerig en vaak onrechtvaardig. De verheerlijking van het verleden heeft, zoals de Hindoestaans-Surinaamse essayist Anil Ramdas ooit schreef, geen waarde voor de samenleving en erger nog, geen waarde voor de kunst. Dat klinkt als een sneer naar populisten die de Gouden Eeuw als centrum van de Nederlandse identiteit bezingen. Maar toen Ramdas in 1993 in een essay schreef: ‘In plaats van kritiek en zelfkritiek, in plaats van twijfel en onderzoek, kregen we betuttelende propaganda en valse kreten over één boom, één land, één volk’, had hij het niet over rechts-populistische retorieken, maar over het gebrek aan zelfreflectie onder Surinamers die met oogkleppen op een samenleving trachtten te vormen. Wat er nu in het Westen gebeurt, gebeurde namelijk al eerder in (post)koloniale werelden: vanuit de poëtica van het verlies werd het verlorene wakker gekust. Een begrijpelijk sentiment dat ons ook nu in Nederland parten speelt; wie niet meer weet wie hij mag zijn in een veranderende wereld, wie spiegels voorgehouden krijgt over de onhoudbaarheid van zijn tradities, zijn identiteit, zijn cultuur, die deinst terug in een verleden waar hij zelf nooit was maar waarin de contouren op zijn minst herkenbaar zijn.

In de schaduw van het verlies

Postkoloniale schrijvers weten wat het is om een wereld te verliezen, en wat het is om dat gevoelde verlies in te willen vullen met een geconstrueerd beeld van de geschiedenis. Daarom ook toont hun literatuur de valkuilen van dat verlangen naar een statisch verleden. En daarom schuilt juist in deze literatuur de waarschuwing voor het verlangen naar een eenduidige identiteit. Nobelprijswinnaar Derek Walcott bood met zijn Omeros bijvoorbeeld zijn eiland St. Lucia – en daarmee de hele West Indies – een eigen episch verhaal, en Kamel Daoud schreef de naamloze Arabier uit Camus’ De vreemdeling een leven terug. De versplinterde identiteit van de moderne mens wordt zelden indringender opgevoerd dan in de poëzie van de Afro-Surinaamse Edgar Cairo en de Curaçaose schrijver Tip Marugg wist precies het ongrijpbare gevoel van verlies van identiteit en de verbintenis met dat wat veel groter is dan het individu te vangen in zijn Weekendpelgrimage.

De poëtica van het verlies leert ons dat verlies inherent is aan alles dat leeft. Het bestaan speelt zich immers af in de schaduw van de eindigheid ervan. Literatuur toont ons de verschillende manieren waarop we met het verlies, dreigend of al voltrokken, om kunnen gaan. Schrijvers in de diaspora schrijven veel minder vaak over het terughalen van een fysieke plek die werd verlaten, dan over de manieren waarop verwarrende en soms tegenstrijdige emoties worden verwerkt. Hun perspectief gaat vaak uit van de onvermijdelijkheid van verlies en de veranderlijkheid van de wereld. Het is, op zijn best, een wereldbeeld met sympathie voor de rommeligheid van de geschiedenis, de onaffe aard van de wereld, met mededogen voor de altijd zoekende mens die nooit helemaal, nooit echt, zijn plek heeft gevonden. Dit soort literatuur leert ons het verlies te omarmen, en ons te bezinnen op wat ervoor in de plaats komt: nieuwe werelden, waar oude verloren raakten. En nieuwe samenlevingen, meer gericht op de toekomst. En natuurlijk gebeurt dat niet zonder slag of stoot, en vanzelfsprekend is er pijn en chaos en gerommel terwijl we dat verlies van een wereld, van een wereldbeeld, van een identiteit verwerken. Tegen verlies bestaat geen verzet. Het is iets dat verwerkt wordt, bijvoorbeeld door de literaire verbeelding ervan. De werkelijke tragiek is dan misschien niet het verlies zelf, maar het onvermogen en de onwil om ermee om te gaan.