Recensie

Recensie

Het mateloze leven van sterneuroloog Oliver Sacks (●●●●)

Oliver Sacks Dit boek bevat prachtige vertellingen over het deze wereldberoemde neuroloog en zijn mateloze, avontuurlijke leven.

Oliver Sacks in Greenwich Village, New York, 1961
Oliver Sacks in Greenwich Village, New York, 1961 Foto Douglas White/ Oliver Sacks foundation

Met het overlijden van neuroloog Oliver Sacks in 2015 verloor de wereld een groot schrijver van populair-wetenschappelijke verhalen. Niemand die zo helder, zo levendig maar ook zo invoelend kon schrijven over zijn patiënten en hun aandoeningen. Na zijn dood verschenen nog twee boeken met verzamelde artikelen en nu is er dan een ‘biografisch gedenkschrift’ van de hand van zijn goede vriend en tot 2001 journalist van The New Yorker, Lawrence Weschler (1952).

Al in het begin van de jaren tachtig vatte deze het plan op om een profiel over Sacks te schrijven. Sacks was in die tijd nog niet beroemd, maar had al wel zijn boek Awakenings gepubliceerd, dat later verfilmd zou worden met Robert de Niro en Robin Williams.

Toen Weschler al zijn aantekeningen en uitwerkingen van interviews met Sacks en diens vrienden wilde gaan publiceren, verbood Sacks hem echter te schrijven over diens homoseksualiteit, waarmee het plan voor een profiel en eventueel een latere biografie de kast in ging, om er pas na Sacks’ dood weer uit te komen.

Kostschool

Het is de vraag of dat een goede beslissing is geweest. Sacks maakte sowieso zijn leven onderdeel van al zijn boeken en had daarbij sinds de jaren tachtig zelf ook al twee autobiografieën geschreven: Uncle Tungsten, over zijn vroegste jaren, de vreselijke tijd die hij doorbracht op een kostschool en zijn liefde voor de scheikunde, en On the Move, dat in veel details en zonder terughoudendheid zijn latere leven beschreef en dat vlak voor zijn dood verscheen. Wat kon Weschler daar nog aan toevoegen?

Weschler schrijft met name over een periode waarin Sacks zichzelf nog moest vinden, ‘the virtual hinge of his professional and creative process’, niet alleen als neuroloog maar ook als schrijver. Een periode waarin het hem bovendien duidelijk werd dat hij geen gewone arts was en al helemaal geen onderzoeker, iemand die objectief feiten verzamelt om zijn theorie aan te toetsen en zo de wetenschap vooruit probeert te helpen.

Sacks was daarvoor ten enenmale ongeschikt, al was het alleen doordat hij zo vreselijk onhandig en lomp was in zijn handelen. Maar dat compenseerde hij met zijn gevoel, zijn invoelingsvermogen. Net als zijn vader, een ouderwetse country doctor in Engeland, leefde hij voor zijn patiënten – hij werd ooit ontslagen nadat hij een doodzieke patiënte op eigen verzoek had meegenomen voor een ritje achterop de motor. Hij sprak uren met ze, observeerde ze en legde dat in (letterlijk) vele duizenden pagina’s aantekeningen vast. In zijn schrijven was hij sowieso mateloos, brieven beliepen makkelijk veertig kantjes, en als het aan hem had gelegen zou elke nieuwe druk van een boek weer extra pagina’s met noten bevatten. Maar hij was ook mateloos in zijn eetgedrag, in zijn liefde voor snelheid en voor lange tochten op de motor, in het drugsgebruik in zijn jonge jaren met periodes van ‘stoned, onanistic hedonism’ enzovoorts.

Manisch depressief

Weschler legde dat allemaal vast in zijn eigen logboeken, die hij nu heeft geordend en uitgewerkt tot een boek. Maar hoezeer het ook boeit om meer over Sacks te weten te komen, is het toch niet meer dan ruw materiaal waar een toekomstige biograaf – die Weschler in zijn voorwoord veel sterkte toewenst met het uitwerken ervan – mee aan de slag moet.

Maar het zal nog wel even duren voor iemand zich door alle nagelaten documenten heen geworsteld heeft en een min of meer afgerond beeld kan schetsen van Sacks. Wat nu rest is diens eigen, laatste boek, dat stukken bevat die nooit eerder, of alleen in tijdschriften zijn verschenen. Los werk dus, en ook al is dat meestal geen aanbeveling, Eerste liefdes en laatste verhalen biedt een mooi, caleidoscopisch overzicht van zijn werk. De stukken zijn gerangschikt in drie delen, ‘Eerste liefdes’, ‘Klinische verhalen’ en ‘Het leven gaat door’, die daarmee feitelijk samenvallen met zijn leven.

Hoofdmoot vormen de verhalen uit zijn artsenpraktijk waar hij zo bekend mee is geworden. Zo is er een prachtig stuk over de Amerikaanse acteur Spalding Gray, die na een auto-ongeluk een volkomen ander persoon werd als gevolg van schade aan zijn voorhoofdskwab, en die achtervolgd door manies en depressies uiteindelijk na verschillende zelfmoordpogingen een einde aan zijn leven zou maken.

Freak show

Sacks biedt in dit wat langere verhaal niet alleen inzicht in de werking van ons brein en hoe delicaat de balans wel niet is tussen de verschillende onderdelen daarvan, maar doet tegelijk ook persoonlijk en emotioneel verslag van zijn ervaringen en vriendschap met deze patiënt en zijn naasten.

Aan het eind van een van de stukken over een manisch-psychotische vrouw brengt Sacks de kwestie ter sprake waar hij zijn hele schrijverschap mee geworsteld heeft: ‘In detail publiceren over het leven van patiënten, hun kwetsbaarheden, hun ziektes is een zaak van grote morele fijngevoeligheid, vol risico’s en valkuilen.’ Maar al te vaak werd hem verweten dat hij de aandoeningen van zijn patiënten mooier en interessanter maakte dan ze waren en er zelfs niet voor terugschrok dingen erbij te verzinnen. Niet voor niets is hij wel eens gekarakteriseerd als ‘the man who mistook his patients for a literary career’. Ook Weschler wijdt een heel hoofdstuk aan deze kwestie en moet toegeven dat er wel enige grond van waarheid in zit. Maar het verwijt dat hij zijn patiënten zou opvoeren in een soort van menselijke freak show is onterecht.

In een van de stukken in deze bundel verhaalt Sacks bijvoorbeeld van zijn ervaringen met Tourette-patiënten, die lijden onder de vreemdste tics. Hij bezoekt onder meer een afgelegen dorp in Canada waar door overerving binnen een familie een groot aantal Touretters bij elkaar wonen. Dat had een bijna kluchtige beschrijving van deze gemeenschap kunnen opleveren, maar Sacks toont altijd respect en waardering voor zijn hoofdpersonen en laat ze volledig in hun waarde. Dat heeft volgens hem te maken met zijn opvoeding. Aan het eind verwijst hij naar de manier waarop orthodoxe Joden reageren op het vreemde: ‘je prijst God om de diversiteit van Zijn creatie, en je dankt Hem voor het wonder van het vreemde’.

Eilandhuis kopen

Sacks was nu eenmaal neuroloog en dat had onvermijdelijk tot gevolg dat hij in zijn dagelijkse praktijk hersenafwijkingen of -aandoeningen tegenkwam die iemands gedrag op vreemde manieren kunnen beïnvloeden. Daardoor zijn de verhalen over zijn patiënten interessanter om te lezen dan over iemand die een been gebroken heeft. Al tekent het de kwaliteit van Sacks als schrijver dat hij uitgerekend een van zijn beste boeken (A Leg to Stand On) schreef over zijn eigen ervaringen, nadat hij tijdens een bergwandeling een been had gebroken.

Dat hij ook zijn eigen afwijkingen en gevoeligheden tot onderwerp van zijn stukken maakt is ook precies wat je telkens weer voor hem inneemt. Het levert misschien wel daarom de aardigste verhalen op, juist omdat hij dan volledig vrij en vol humor kan vertellen. Over zijn liefde voor lange-afstandszwemmen bijvoorbeeld, als hij halverwege tijdens een zwemtocht rondom een eiland bij New York een leuk huis ziet dat te koop staat en vervolgens in zwembroek, ‘nog nadruipend’, de koop beslecht. Of over die keer dat hij samen met zijn vrienden van de Fern Society in hartje New York het verkeer ophield toen hij een zeldzame varen, zijn favoriete plantensoort, had ontdekt. En hoewel hij een juweeltje van een zeer-kort-verhaal schrijft over een toevallige ‘ontmoeting’ met een orang-oetan in de dierentuin, is zijn favoriete diersoort wat minder aaibaar. Vanaf zijn vroegste jeugd heeft hij namelijk een enorme liefde gehad voor inktvissen, die het onderwerp vormen van een schitterende anekdote (die overigens in drie versies terugkomt in Weschlers boek), waarin hij samen met twee vrienden een groot aantal exemplaren op verkeerde wijze preserveert in alcohol, waarna deze beginnen te rotten en de potten ontploffen, het huis maandenlang in een afschuwelijke stank dompelend. Of zijn allerlaatste artikel waarin hij schreef over zijn liefde voor gefilte Fisch, typisch Joodse visballetjes, die hij als kind veel at en als enige voedsel in zijn laatste dagen kon verdragen. Het zijn dat soort intens persoonlijke verhalen, in prachtige taal verwoord, waar ik geen genoeg van kan krijgen en die maken dat ik erg uitkijk naar die ‘definitieve’ biografie.