Jongens op Java: ‘Er gaat geen dag voorbij dat ik er niet aan denk’

Oorlogsvrijwilligers Dit jaar is het zeventig jaar geleden dat Nederland de soevereiniteit overdroeg aan Indonesië. Sindsdien proberen Nederland én zijn oorlogsveteranen met dat verleden in het reine komen. Zes portretten van mannen die ‘orde en rust’ in de kolonie moesten herstellen.

Ad Jansen
Ad Jansen Foto Annabel Oosteweeghel

Oorlogsvrijwilligers waren ze veelal, mannen als op de portretten hieronder. Nederlandse jongens die zich toen Zuid-Nederland was bevrijd in 1944, meldden om tegen ‘de moffen’ te vechten. Maar toen hun militaire training klaar was, bleek de oorlog in Europa afgelopen. Dus werden ze overzee gestuurd om de kolonie Nederlands-Indië te bevrijden van de Japanse bezetting. Maar nadat Japan capituleerde op 15 augustus 1945, moesten zij vooral ‘orde en rust’ in de kolonie herstellen.

De geportretteerde veteranen zijn te zien in een documentaireserie van journalist en regisseur Coen Verbraak die aanstaande week begint.

Op 17 augustus 1945 hadden Soekarno en Hatta de Republiek Indonesië uitgeroepen. Een ideaal dat in de eerste decennia van de vorige eeuw was uitgekristalliseerd, maar hardhandig werd onderdrukt door de koloniale overheid. Na de Japanse capitulatie volgde in delen van de archipel een chaotische periode van de bersiap, waarbij veel Nederlanders en Indische Nederlanders slachtoffer werden van de wraakzucht van jonge opstandelingen. Vaak ook van roversbendes. Den Haag stuurde een leger dat behalve uit oorlogsvrijwilligers vooral uit tienduizenden dienstplichtigen bestond. Vanaf 1946 moesten zij ervoor zorgen dat de kolonie weer kon bijdragen aan de schatkist van het verarmde moederland. De naam van de eerste zogeheten Politionele Actie begin 1947 was niet voor niets ‘operatie Product’: suiker- en rubberplantages en oliebronnen in Java Sumatra die in Republikeinse handen waren, moesten worden heroverd. Het thuisfront kreeg propagandabeelden te zien van een enthousiaste bevolking die blij was dat ‘onze jongens’ orde op zaken kwamen stellen. In de praktijk woedde er in Indonesië een bloedige guerrillaoorlog waarbij 6.000 van de in totaal 120.000 militairen aan Nederlandse kant sneuvelden. Aan Indonesische zijde vielen meer dan 100.000 slachtoffers voordat op 27 december 1949 – volgende maand zeventig jaar geleden – Nederland de soevereiniteit overdroeg aan Indonesië.

Sindsdien probeert Nederland met dat verleden in het reine te komen. Verhalen over oorlogsmisdaden doken vanaf de jaren veertig regelmatig op, maar werden weer vergeten. Abram de Swaan noemde dat twee jaar geleden ‘postkoloniale absences’: „Een nationaal geheim dat telkens weer onthuld wordt en dan opnieuw wordt weggemoffeld.”

Door de aandacht voor het bloedbad dat Nederlandse militairen in 1947 aanrichtten in het Javaanse dorp Rawagede (nu: Balongsari) en door het boek De brandende kampongs van generaal Spoor van Rémy Limpach, dat structureel gewelddadig optreden door Nederlandse soldaten aannemelijk maakte, loopt nu een nieuw historisch onderzoek naar het Nederlands militair optreden tussen 1945 en 1950.

Stef Scagliola bracht begin deze eeuw al de verwerking van de oorlogsmisdaden onder Indiëveteranen in kaart in haar proefschrift Last van de oorlog. Daarin maakt ze onderscheid tussen medisch-psychologisch trauma en strategisch trauma. Dat laatste zou dan gaan om veteranen die zichzelf presenteren als slachtoffers om erkenning en genoegdoening te krijgen.

De documentaireserie Onze Jongens op Java van regisseur Coen Verbraak is vanaf donderdag 21 november vier weken lang te zien bij BNNVARA, om 20.25 uur op NPO2.

Ad Jansen, 94 jaar

Foto Annabel Oosteweeghel

Ad Jansen (94) meldde zich in 1944 aan als oorlogsvrijwilliger om „de Jappen uit Indië te gooien”. Hij kreeg zijn opleiding bij het Amerikaanse leger en zat vervolgens van 1945 tot en met 1947 als hospik bij de mariniersbrigade, op verschillende plaatsen in Indonesië. „Er gaat geen dag voorbij dat ik er niet aan denk. Mijn dochter vraagt wel eens: hoe komt het dat je je steeds meer manifesteert als veteraan? Dat komt omdat die zesduizend jongens die daar liggen hun mond niét meer open kunnen doen.”

Bol Kerrebijn, 92 jaar

Foto Annabel Oosteweeghel

Bol Kerrebijn (92) werd geboren in Bandung (toen nog Bandoeng) in West-Java als zoon van een Hollandse vader en een Indische moeder. Kort na de Tweede Wereldoorlog meldde hij zich aan bij het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL) en vocht mee bij de zogeheten eerste Politionele Actie. Aanvankelijk als vrijwilliger, later als beroeps bij de infanterie. In 1950 moest hij noodgedwongen zijn vaderland verruilen voor Nederland. Hij is nadien nooit meer teruggeweest. „Uit rancune voor wat er toen is gebeurd. Zo lang de pemoeda’s [die zich fel keerden tegen Nederlanders en Indische Nederlanders] nog leven, die mensen van The Act of Killing, zijn ze tot hetzelfde in staat. Daar ben ik van overtuigd.”

Ton Kelders, 91 jaar

Foto Annabel Oosteweeghel

Ton Kelders (91) was pas zeventien toen hij in 1946 als oorlogsvrijwilliger naar Indonesië ging, waar hij dienst deed bij de Stoottroepen. Als jonge jongen hielp hij zijn vader in het verzet, daarna diende hij drie jaar in de Indonesische archipel om vervolgens te gaan vechten in Korea. Op zijn 27ste had hij er al dertien jaar oorlog op zitten. „Ik heb vaak gedacht: en nu is het mijn beurt om te sneuvelen. Maar gelukkig heb ik nooit een schrammetje opgelopen.” Al mist hij door een schotwond wel zijn linkerwijsvinger en een deel van zijn linkerhand.

Jan Foppen, 92 jaar

Foto Annabel Oosteweeghel

Jan Foppen (92) ging in 1948 als dienstplichtige naar Java en was actief als boordschutter op een tank. Op de boot naar Indonesië kon hij kiezen tussen aardappels schillen of Maleis leren. „Zinnen als Dat Maleis was overigens nogal rudimentair: nu naar buiten komen. Anders schieten we.” De oorlog bracht hem regelmatig in gevaarlijke situaties. Met alle gevolgen van dien. „Er zijn zeker dingen gebeurd die niet mochten van de Conventie van Genève. Maar het was ‘hij of ik’. Dat kon dan ook een onschuldige zijn. Maar dan was de keuze toch niet moeilijk. Dan werd het ‘hij’. Want ik wist één ding zeker: ik wil wel weer terug naar Nederland.”

Pieter Paulusma, 93 jaar

Foto Annabel Oosteweeghel

Pieter Paulusma (93) diende als oorlogsvrijwilliger bij de Stoottroepen en werd in 1947 in Semarang ingezet bij de zogeheten eerste Politionele Actie. Als hij zijn ogen dichtdoet, ziet hij nog haarscherp voor zich hoe voor zijn ogen een van zijn kameraden sneuvelde. „Dan komt er moordlust in je naar boven.” Soms droomt hij nog vanover de tegenstander die hij doodschoot. „Dan zie ik hem voor me, vlak voordat hij op mij wil schieten. Dat raak je niet kwijt. Maar ik negeer het. Ik versta de kunst van het negeren.”

Bert Hofman, 91 jaar

Foto Annabel Oosteweeghel

Bert Hofman (91) vertrok in 1948 samen met zijn tweelingbroer Wim als oorlogsvrijwilliger naar Indië. ‘Ze zeggen weleens: “de Nederlanders gingen naar Indië om mensen te beschermen”, maar dat is echt flauwekul. Wij gingen vooral voor het avontuur.’ Hij moest tijdens gevechtshandelingen wel uiterst secuur zijn. ‘Als je een handgranaat gooide, moest je het pinnetje bewaren. Als we schoten, moesten we de hulzen bewaren. Want als je een kogel of granaat niet kon verantwoorden, werd-ie van je soldij afgetrokken’.

Coen Verbraak