Recensie

Recensie

Vergeleken met voetbal was al het andere bijzaak in het leven van Johan Cruijff

Johan Cruijff Biografie brengt alle verschijningsvormen van ‘JC’ samen: van fenomeen tot verlosser, van visionair tot filantroop.

Johan Cruijff op doel tijdens een training van het Nederlands elftal in Zeist, op 16 november 1971.
Johan Cruijff op doel tijdens een training van het Nederlands elftal in Zeist, op 16 november 1971. Foto Bert Verhoeff/Anefo

Een jongen met zachte vraagtekens in zijn ogen. Dat ziet biograaf Auke Kok als hij een foto bekijkt van de vijftienjarige Johan Cruijff in de administratie van sportzaak Perry van der Kar, waar het kind in het magazijn werkte. Hij is netjes gekleed, met het haar in een brave scheiding op de foto gegaan: „Een jongen met een kwetsbare, waterige blik; de uitdrukking van een tiener die liever ergens anders is dan in deze sportzaak”.

Cruijff (1947-2016) had al het een en ander voor de kiezen gekregen. Op zijn twaalfde was vader Manus Cruijff plotseling overleden, wat behalve groot verdriet ook aanhoudende financiële onzekerheid in het Betondorpse gezin Cruijff had veroorzaakt. Op foto’s in voetbalshirt zag ‘Jopie’ er heel anders uit. Dan werd, in de woorden van zijn biograaf, het vraagteken een uitroepteken.

De passage is kenmerkend voor de aanpak van Kok in zijn grote Cruijff-biografie. De op 25 april 1947 geboren voetballer is in de loop der jaren op talloze wijzen gekarakteriseerd. Eerst als fenomeen, in Nico Scheepmakers klassieker Cruijff, Hendrik Johannes, Fenomeen, de Max Havelaar onder de Nederlandse sportboeken. Maar ook als geldwolf, verlosser, voetbalvisionair, kettingroker, antirookactivist, orakel, taalvernieuwer, babyboomsymbool, filantroop en zakenman. De grote verdienste van Kok is dat hij in zijn biografie al die verschijningsvormen van ‘JC’ samenbrengt. Johan Cruijff is weer een mens geworden.

Rectificatie

Enkele menselijke trekjes van Cruijff die in de biografie worden aangehaald, hebben het boek een stormachtige ontvangst bezorgd. Zo schrijft Kok over de huwelijkse ontrouw van Cruijff, wat hem door de familie niet in dank afgenomen zal zijn. Maar vooral heeft hij wrevel gewekt met de bewering dat Cruijff een miljoen euro per jaar ontving van de door hemzelf opgerichte liefdadigheidsinstelling Cruyff Foundation voor het gebruiken van zijn naam. De rechter beoordeelde vrijdag de bewering als „evident onrechtmatig”.

Lees ook: Uitgever moet Cruijff-boek voorzien van inlegvel met rectificatie

De biograaf zei goede bronnen te hebben, maar er was geen spoor van wederhoor bij de Foundation. Die spande vrijdag een kort geding aan, waar Kok verklaarde zelf ook aan zijn bewering te zijn gaan twijfelen. De biograaf moet rectificeren.

Onhandig is dat Kok weliswaar veel bronnen op zijn site heeft staan, maar niet expliciet maakt wat hij van wie heeft. Zoals het toch al zonde is dat die verantwoording en het personenregister niet gewoon in het boek zelf staan; je vermoedt een aanval van Cruijffiaanse zuinigheid bij de uitgever.

Sneu is die ontwikkeling wel voor Kok, omdat zijn boek juist niet behoort tot de uitgebreide familie sportboeken waarin jacht wordt gemaakt op kleine brokjes sensationeel nieuws. Kok wil de persoon Cruijff echt begrijpen en begint daarbij uiteraard in de jeugd van de voetballer. Op straat heette hij ‘Abe’ en was hij behalve een wondertalent ook een klassieke Pietje Bell-figuur – met als dramatisch dieptepunt de dag dat hij als experimenterende peuter een jong katje verdronk in een kan warme melk.

Cruijff krijgt als Europees voetballer van het jaar 1972 de gouden bal van Max Urini van France Football.

Foto Bert Verhoeff/Anefo

Op het voetbalveld was de fanatieke Jopie moeilijk te disciplineren. Zo kreeg hij als junior, toen enkele boetes niet hielpen, vijftig strafregels: „Ik moet in een wedstrijd me netjes gedragen en fair blijven spelen.” Er werd toch al veel tijd en aandacht geïnvesteerd in het jonge supertalent, die werd gezien als een jongen die zowel fysiek als mentaal kwetsbaar was. Vooral zijn moeder vond dat Ajax rustig aan moest doen met de vaak nerveuze Johan, die zijn hele leven last van hoofdpijnaanvallen zou houden.

Verschillende psychologen keken naar de jonge voetballer, zelfs een psycholoog-grafoloog, die aantekende: „Zijn subjectiviteit doet hem de dingen niet meer in de juiste proporties zien.” Dat was goed gezien, zij het dat juist in het ontkennen en uitdagen van bestaande conventies („de juiste proporties”) de grote kracht van Cruijff zat. Daardoor kon hij de wereld, of in elk geval het voetbal, veranderen.

In het stadion

Voetbal is de kern in deze biografie. Kok liet in eerdere boeken (1974. Wij waren de besten en 1988. Wij hielden van Oranje) al zien goed met ingehouden lyriek en gevoel voor techniek over het spel te kunnen schrijven. Zoals bij een pass van Piet Keizer op Cruijff: „Dat deed hij zonder te kijken, alsof hij wist dat zijn ‘broertje’ zijn plek op links had overgenomen en de natuurwetten voor hadden geschreven dat de bal uitsluitend daar, en nergens anders, heen kon gaan. Tweelingbroers die een estafettestokje aan elkaar doorgeven […] Keizer had een effectvolle bal getrapt en Johan had hem met ‘tegeneffect’ langs de keeper geschoten, legde Cruijff later uit.”

Zo neemt Kok de lezer vaak mee het stadion in, wat een van de redenen is waarom de biografie zo omvangrijk is geworden. Aan de andere kant: Kok schrijft uitgesproken soepel en een kunstenaarsbiografie ontkomt niet aan de bespreking van het oeuvre.

Want zo zag Cruijff zichzelf graag: misschien als kunstenaar, maar zeker als artiest. Een artiest die haast had met het verkopen van zijn kunsten. Kok verbindt dat logischerwijs met de harde financiële tijden in het gezin na de dood van Cruijffs vader en met het basale zakelijke instinct dat middenstanderszoon Cruijff met de paplepel was ingegoten. Vanaf zijn eerste jaren als prof kwam hij op voor zijn persoonlijke financiële belang, wat hem tot een pionier in de voetbalwereld maakte. En tot de schrik van bestuurders. Op de avond voor een belangrijke uitwedstrijd in Europa kon Cruijff in de hotelbar zomaar het een of het ander eisen. Anders ging hij toch naar huis?

De wil om te winnen combineerde Cruijff met de angst voor armoede en de behoefte aan een groep betrouwbare mensen om zich heen; iets wat zijn relatie met voetbalclub Ajax zo gecompliceerd maakte. Hij groeide er als kind op en de club bleef altijd familie voor hem – en dus kon hij het juist daar niet velen als de dingen niet naar zijn zin gingen. In het seizoen dat hij bij Feyenoord speelde, bemoeide hij zich amper met zaken buiten het veld.

Kok nuanceert de triomftocht die de oude Cruijff maakte over de Nederlandse velden tussen 1982 en 1984. Tegenstanders durfden de oude meester amper aan te pakken, schrijft hij en ook scheidsrechters waren een en al respect. „Over het algemeen was het de laatste jaren bij Ajax en daarna bij Feyenoord zo dat je als tegenstander een vrije trap tegen kreeg als je óf een willekeurige Ajacied of Feyenoorder omverschopte, óf Johan Cruijff de bal afpakte”, citeert hij Nico Scheepmaker.

Focus op de voetballer

Zo trekt de hele Cruijff voorbij, ook de worstelende speler in de tweede helft van de jaren zeventig die zich liet afleiden door tal van desastreus verlopen zakelijke initiatieven. Dieptepunt was het verlies van vele miljoenen nadat Cruijff de charismatische Michel Basilevitch toestemming had gegeven om namens hem financiële transacties te doen. „De merkwaardigste daad van zijn leven”, constateert Kok droogjes. Hij ziet in Basilevitch niet de oplichter waar deze vaak voor is uitgemaakt, maar vooral als een erg onhandige zakenman.

Cruijff in 1971 bij Ajax, links Dick van Dijk.

Foto Bert Verhoeff/Anefo

Het fiasco leerde Cruijff dat hij zijn activiteiten maar beter rond het voetbal kon concentreren – uiteindelijk was het de bal die hem het meeste geluk bracht. Dat komt ook tot uitdrukking in de indeling van de biografie, waarin ruwweg 540 bladzijden zijn ingeruimd voor de voetballer, zestig voor de trainer en veertig voor de laatste twintig jaar van Cruijffs leven. Dat de door de rechter als onrechtmatig beoordeelde passage over de financiering van de Cruyff Foundation in dit deel van het boek staat, is waarschijnlijk geen toeval: het is niet de periode waar Koks focus ligt.

Terecht, want als deze biografie één ding keer op keer laat zien, is dat hoe vergeleken met voetbal al het andere bijzaak was in het leven van Cruijff. Het was de bal die van het vraagtekenjoch een uitroeptekenman maakte.