Opinie

Gedoemd om te herhalen

Beatrice de Graaf

Er staan ons komend jaar weer een aantal historische herdenkingen te wachten, inclusief de bijbehorende oproepen om niet te vergeten, maar de lessen uit het verleden ter harte te nemen. Tegelijkertijd ontkennen veel historici glashard dat je van de geschiedenis iets kunt leren. Het is een prachtig vak, maar om er lessen uit te kunnen trekken, moet je wetmatigheden kunnen aanwijzen in patronen van menselijk gedrag door de eeuwen heen. En daar geloven die historici niet in. Hun argument is dat elk mens en elke situatie zo uniek is, dat je er geen deterministische modellen op kunt loslaten. Bovendien: leren uit de geschiedenis? Kijk maar naar Syrië, Irak of de Verenigde Staten – veel leerbereidheid lijkt daar niet te zitten.

Toch dachten de eerste historici uit de 18de en 19de eeuw daar heel anders over. De vermaarde Britse historicus Edward Gibbon maakte furore met zijn standaardwerk Verval en ondergang van het Romeinse Rijk (gepubliceerd tussen 1776 en 1789). Voor de verlichte schrijver Gibbon was verval onvermijdelijk wanneer de krachten van het barbarisme en bijgeloof de vrije loop kregen. Het was zo bezien een wonder dat het Romeinse Rijk zijn ineenstorting nog zo lang had kunnen opschorten. Historici en politici ontleenden aan zijn werk de meeslepende stelling dat wereldrijken opgaan, blinken en verzinken en dat de geschiedenis zich voltrekt in cycli van verval als we niet uitkijken voor die klamme greep van obscurantisme en (religieus) machtsmisbruik. Jacob Burckhardt nam het stokje in de 19de eeuw van Gibbon over en kwam met een andere waarschuwing: niet barbarisme en religie, maar handel en commercie en het moderne liberalisme legden de bijl aan de wortel van de organische ontwikkeling van landen en volken (Die Zeit Constantins des Grossen, 1853). Weer een halve eeuw later voltooide Oswald Spengler (Der Untergang des Abendlandes, 1918-1922) deze conservatieve mythologie met zijn mystieke klaagzang over de teloorgang van de westerse beschaving. Algemeen kiesrecht, toegang tot onderwijs en gezondheidszorg, gelijke rechten voor vrouwen waren voor Burckhardt al een gruwel, Spengler voegde daar de industriële revolutie en de rationalisatie van economie en samenleving aan toe.

Ondergang van de beschaving

De kracht van de cyclische (en cultuurpessimistische) kijk op de geschiedenis zit hem in de politieke agenda die ermee gediend is. Verlichte geesten kunnen hun alarmisme op de ondergang van de beschaving loslaten (Marx, Engels of de klimaatactivisten) en aanhangers van de vermeende conservatieve revolutie kunnen er ook hun voordeel mee doen (De Gobineau, Nietzsche of de FvD). De tegenwoordig vaak terugkerende waarschuwingen over de jaren dertig en het herlevend fascisme zijn eveneens voorbeelden van gepolitiseerd cyclisch denken.

Wetenschappelijke historici hebben aan dit soort theorieën de afgelopen decennia hun vingers nauwelijks gebrand. Geschiedschrijving is een specialistisch l’art pour l’art-genre geworden; bijgelovige mystiek hoort daarin niet thuis.

Nu heeft een bioloog de wetenschappelijke handschoen van de cyclische geschiedschrijving echter weer opgepakt. Peter Turchin publiceerde in 2003 zijn boek Historical Dynamics, waarin hij de opkomst en neergang van staatssystemen in Frankrijk en Rusland in de vroegmoderne tijd onderzocht. Gebaseerd op zijn onderzoek naar patronen in het gedrag en voortplanting van roofdieren en hun prooien, ontwikkelde hij wiskundige modellen om wetmatigheden van systemen van menselijk samenleven na te bootsen.

Instabiliteit en vooruitgang

Sindsdien heeft Turchin zijn nieuwe vakgebied stevig neergezet. Hij heeft een gemeenschap bijeengebracht van historici, natuurkundigen, biologen en anderen, geeft een tijdschrift uit (Cliodynamics, zie het laatste buitengewoon interessante nummer) en heeft een database gebouwd met gegevens over 450 historische samenlevingen. Met die database, Seshat (genoemd naar de Egyptische godin van archivering), probeert hij samenlevingen door tijd en ruimte heen te vergelijken op het punt van instabiliteit en vooruitgang – om daar vervolgens ook predictieve uitspraken over te kunnen doen.

Voor veel historici is dit een gotspe. Hoe kun je Gandhi, Hitler of Florence Nightingale in een systeem stoppen, laat staan voorspellen? De rol van menselijk handelen is grillig en onvoorspelbaar. Bigdatageschiedenis is leuk in de marge, maar grootschalige filosofische of politieke uitspraken over neergang, verval of revoluties in het staatssysteem kun je er niet op baseren. Niemand had kunnen voorspellen dat Egon Krenz de Oost-Duitse grens zou openen, dat Mandela de ANC vleugels zou geven, of dat Bin Laden een wereldwijde War on Terror zou triggeren. Turchins antwoord daarop is even ambitieus als eenvoudig: ook dat unieke samenspel tussen systemische ontevredenheid, structurele factoren zoals bevolkingsoverschotten en incidentele ‘shocks’ of triggermomenten (of ‘triggermensen’) kun je programmeren – als je maar genoeg data hebt. Het Centre for the Study of Existential Risk in Cambridge is er al volop mee bezig. Net als het U.S. Army Engineer Research and Development Center.

Ik weet het nog zo net niet. Zeker, aan big data valt niet te ontkomen. Mathematische voorspellingen over onrust en instabiliteit worden accurater. Historici zullen moeten leren rekenen om zo patronen aan het verleden te kunnen ontfutselen. Maar of politici dan ook beter naar die lessen zullen luisteren, ligt niet voor de hand. Dat is ook een wetmatigheid.

Beatrice de Graaf is hoogleraar geschiedenis van de internationale betrekkingen in Utrecht.