Opinie

Fatale val van turnster

Frits Abrahams

Afgelopen zondag stierf op 20-jarige leeftijd de Amerikaanse turnster Melanie (‘Melly’) Coleman. Twee dagen eerder was ze tijdens een training op de brug met ongelijke leggers uitgegleden en ten val gekomen. Daarbij raakte haar ruggengraat zwaar beschadigd. Ze overleed in het ziekenhuis.

Coleman studeerde verpleegkunde aan de Southern Connecticut State University in New Haven. Ze was een ervaren turnster, trainde nog steeds op hoog niveau en was aanvoerder van het universitaire turnteam. Op internet circuleert een filmpje, goddank niet van het fatale ongeluk, maar van een oefensessie van Coleman op de evenwichtsbalk waar ze een salto uitvoert. Je kunt zien dat een talentvol turnster aan het werk is, elke beweging ademt natuurlijke souplesse.

Ik las de schaarse berichten over haar dood met een mengeling van verbazing en schrik. Als tv-kijker naar turnen („Epke!”) had ik nooit de vrees voor een noodlottig ongeval gevoeld. Boksers konden worden doodgeslagen, voor wielrenners dreigde het ravijn en ook autocoureurs vroegen om problemen – maar turners? Nou ja, hun oefening kon mislukken – dan kregen ze een slecht cijfer en gingen we door naar de volgende oefening.

Dat is een te rooskleurige benadering geweest, merk ik nu. CNN berichtte dat er volgens onderzoek van de University of Pittsburgh jaarlijks 100.000 blessures zijn bij Amerikaanse turners: polsbreuken, schade aan kraakbeen en knieën. In 1985 raakte de 15-jarige Amerikaanse turnster Julissa Gomes verlamd na een paardsprong; drie jaar later overleed zij. Turnster Samantha Cerio, ook uit de Verenigde Staten, brak dit jaar beide benen tijdens een vrije oefening.

Er is ook een particuliere reden waarom het ongeluk met Melanie Coleman mijn aandacht trok. Mijn vrouw is in de beginjaren zestig een goede turnster geweest, niet van het niveau van Coleman, maar wel goed genoeg om districtskampioen in Brabant te worden. Ze turnde van haar tiende tot haar twintigste; toen ik haar twee jaar later leerde kennen, was ze net gestopt met toestelturnen: paard, brug, balk en vloer (vrije oefening).

Ik vertelde haar wat Coleman overkomen was en ze reageerde even geschokt als ik. „Maar ben jij dan nooit bang geweest bij zo’n oefening?” vroeg ik. Per slot van rekening zou ik haar nooit hebben gekend als ze destijds even ongelukkig was gevallen als Coleman. „Bang niet”, zei ze, „wel vond ik de brug het moeilijkste onderdeel. Op de evenwichtsbalk voelde ik me rustiger. Hoe lastig de brug ook was, ik was me nooit bewust van een risico. Toch moet dat er wel geweest zijn, want er stond altijd een begeleidster naast de brug die je eventueel kon opvangen.”

Zware blessures bij zichzelf of andere meisjes heeft ze nooit meegemaakt. „Wel had ik altijd overal blauwe plekken.” Dat klopt, zag ik toen ze me een van haar plakboeken uit haar turnperiode liet zien. Bij een prijsuitreiking prijkt een forse blauwe plek op haar bovenbeen; als ík die veroorzaakt had, zou haar vader mij ongetwijfeld de wacht hebben aangezegd.

Sindsdien is de turnsport sterk veranderd: de turners beginnen steeds jonger en de oefeningen worden ingewikkelder en daarmee gevaarlijker. Waarschijnlijk neemt de blessuregevoeligheid daardoor toe.

Jammer – ik zal nooit meer onbevangen naar turnen kunnen kijken.