Opinie

English please. I don’t speak Dutch

Verengelsing In geen enkel land wordt de moedertaal met zoveel gemak opzij gezet als in Nederland, schrijven en . „Taal schept geschiedenis en familiebanden”.
Illustratie
Illustratie Cyprian Koscielniak

Een zonnige middag op een terras in Arnhem: „Twee vlierbessensap alstublieft.” De serveerster kijkt ons glazig aan: „Could you say that in English please, I don’t speak Dutch.” Nu is het onze beurt om ingewikkeld te kijken, want wat is vlierbessensap in het Engels? We hebben geen idee. Iets met berries, maar welke berries? Appelsap dan maar, omdat het anders te lang gaat duren. „Apple juice, please.”

Horecapersoneel dat alleen nog maar Engels spreekt. Dat komt tegenwoordig overal voor, van Amsterdam tot Arnhem, van Leiden tot Leeuwarden. Wij spreken redelijk Engels en kunnen ons, afgezien van exotische gerechten, prima redden in die taal. Toch ergeren we ons aan de vanzelfsprekendheid waarmee het Nederlands plaatsmaakt voor het Engels.

Van jongs af aan zijn we opgegroeid met een grote liefde voor taal. We emigreerden van Denemarken naar Nederland toen we één jaar oud waren. Onze eerste taal was niet het Nederlands, maar het Deens. Pas vanaf de kleuterschool leerden we Nederlands spreken en geleidelijk aan gingen wij onderling ook over op het Nederlands. Onze ouders deden er intussen alles aan om de Deense taalvaardigheid op peil te houden. We hadden een abonnement op een Deense boekenclub, lazen de Deense Donald Duck (Anders And) en schreven brieven in het Deens aan onze oma. Correct spreken werd rigoureus aangepakt: taalfouten konden ons zakgeld kosten. Drie keer dezelfde fout en er ging een dubbeltje af.

Dat klinkt hardvochtig, maar er zat een diepere gedachte achter. De taal kon ons verbinden met de geschiedenis en cultuur van het land dat we hadden achtergelaten. Tot op de dag van vandaag zijn we onze ouders dankbaar voor hun volharding. Die onderdompeling in twee talen heeft ons geleerd dat taal meer is dan een communicatiemiddel. Ze levert een eigen kleur, een eigen jargon en een eigen identiteit op. Ze schept geschiedenis en familiebanden. Via de taal zijn we, in het buitenland althans, Denen geworden.

Lees ook: Hoe kan ik van jullie taal houden als jullie het zelf niet doen?

In geen enkel ander land zou de landstaal met zoveel laconiek gemak opzij worden gezet: niet in Frankrijk, niet in Duitsland, niet in Spanje, niet in Rusland. En ook niet in Denemarken, wat betreft inwonersaantal toch een kleiner land dan Nederland.

In 2016 werd op initiatief van de minister van Cultuur de Deense canon gelanceerd, waarin tien waarden stonden die de Deense samenleving kenmerken en die op historisch-kritische wijze werden toegelicht. Als een van de kernwaarden fungeert de Deense taal, die als cultuurdrager kan bijdragen aan het behoud en de actualisering van het Deense erfgoed. De canon stelt verder dat het behoud van het Deens van groot belang is als bindmiddel in een democratische samenleving, die gebaseerd is op uitwisseling van kennis en ideeën, ofwel de dialoog.

Nederland kiest een andere afslag. Met name in het academische onderwijs, de omgeving waarin wij onze kennis van literatuur en filosofie verder konden verdiepen, neemt de verengelsing een hoge vlucht. Dat leidt niet alleen tot een inhoudelijke verschraling van het hoger onderwijs, maar ook tot een devaluatie van het Nederlands als volwaardige onderwijs- en onderzoekstaal. De aanhoudende krachtige pleidooien tegen ongebreidelde verengelsing onderschrijven we beiden.

Er lijkt weliswaar een kentering in het debat plaats te vinden, ook op het politieke niveau, maar zijn de voorgestelde maatregelen voldoende? We vinden het positief dat minister Ingrid van Engelshoven (Onderwijs, D66) zich nu actief inzet om de waarde en betekenis van het Nederlands in het hoger onderwijs te beschermen. In haar ‘internationaliseringsbrief’ benadrukte zij onlangs dat universiteiten de uitdrukkingsvaardigheid in het Nederlands van alle studenten moet bevorderen. Tegelijkertijd geeft ze de instellingen alle ruimte om onderwijs in het Engels aan te bieden, mits ze de meerwaarde ervan kunnen aantonen. Dat betekent waarschijnlijk dat er weinig aan de huidige situatie zal veranderen, omdat veel onder de vage noemer ‘meerwaarde’ kan worden weggeschreven. Bovendien blijft onderbelicht hoe belangrijk vorming in de eigen taal is voor denk- en leerprocessen.

Sprankelende taal

Toen ik (Stine) mijn proefschrift bij cultuurwetenschappen in Maastricht ging schrijven, realiseerde ik me des te sterker hoe belangrijk de nuance in taal is. Het proefschrift ging over de relatie tussen literatuur en wetenschap en de afspraak was dat ik dit in het Engels zou gaan schrijven. Het vakgebied Literature and Science Studies was immers grotendeels een angelsaksische aangelegenheid. Gaandeweg ging ik me echter steeds meer storen aan het zakelijke karakter van mijn academische Engels (‘firstly’, ‘secondly’ en ‘finally’): mijn taal sprankelde niet meer. Ik kon me louter argumentatief uitdrukken, terwijl het proefschrift nu juist ook ging over dat wat literatuur vermag in vergelijking tot wetenschap: esthetisch en emotioneel moveren.

Toen ik bezig was met een hoofdstuk over de kleine, prachtige novelle Mijn aap schreit van de Surinaamse schrijver Albert Helman, raakte ik echt in de knoop. Moest ik nu elke citaat in het Engels vertalen? Hoe kreeg ik de subtiliteit van close-reading goed op papier? Na twee jaar in het Engels schrijven, kwam ik bij mijn promotores met het verzoek of het in het Nederlands mocht. Dankzij de liefde en waardering van mijn promotoren voor meertaligheid gingen zij akkoord. Geen Engelstalig proefschrift dus.

Het vormde uiteindelijk geen belemmering voor de communicatie met een breder (internationaal) publiek. In Nederland wist mijn boek Waarom vrouwen van apen houden een grote groep lezers te trekken. Het boek werd bovendien in het Frans en in het Chinees vertaald. Dat zou vast niet gebeurd zijn als in het Engels was geschreven, want dan had de levendige stijl ontbroken.

Internationale scoringsdrift

Maar ook ik (Lotte) loop tegen taaldilemma’s aan als docent en onderzoeker Nederlandse literatuur- en cultuurgeschiedenis. Om mee te kunnen dingen met de grote subsidies is het nodig zoveel mogelijk in het Engels te publiceren. Onder collega’s is een internationale scoringsdrift ontstaan, die tot een onderwaardering van Nederlandstalige publicaties leidt. Publiceren in het Engels heeft grote gevolgen voor de wijze waarop het materiaal wordt gepresenteerd. Nederlandstalige letterkundige en historische bronnen zijn pas interessant voor een internationaal publiek wanneer je ze in een bredere, internationale discussie kunt plaatsen. Het gevolg is wel dat het Nederlands steeds meer aan status inboet.

Op het terrein van het onderwijs zijn de gevolgen nog ingrijpender. Het is steeds moeilijker geworden om nieuwe specialisten in de Nederlandse letterkunde op te leiden, omdat de meeste vervolgopleidingen Engelstalig zijn geworden. Soms moet een docent zelfs zijn toevlucht tot Engelse vertalingen van oorspronkelijk Nederlandstalige werken zoeken om de hele groep te kunnen bedienen.

Lees ook: De wereld is Engelstalig, de universiteit dus ook

Minstens zo kwalijk is het dat studenten in de masterfase van hun opleiding hun Nederlandse taalvaardigheid niet meer ontwikkelen doordat werkstukken en scripties in het Engels moeten worden geschreven. Dat leidt tot vreemde situaties. Zo werd ik twee jaar geleden geconfronteerd met een student die haar werkstuk over Vondel in het Engels moest schrijven. Ook de beroemde openingsverzen uit de Gysbreght van Aemstel moesten vertaald worden. „Het hemelsche gerecht heeft zich ten langen lesten/ Erbarremt over mij en mijn benaeuwde vesten” werd getransformeerd tot doorsnee-Engels: „Heavenly justice has been benevolent for me, and protected me and my endangered city”. Weg metrum, rijm en de poëtische kracht van het Nederlands.

Op het opiniestuk dat ik hierover in de Volkskrant publiceerde, kwamen zoveel reacties en steunbetuigingen binnen dat de examenreglementen intussen versoepeld zijn. Het leverde ook een betere vertaling van een attente lezer: „Divine justice has finally taken pity/ over me and my beleaguered city”. Je zou dus kunnen hopen – tegen beter weten in – op een integrale vertaling van Vondels oeuvre in het Engels, opdat zijn werk op het hoogste universitaire niveau ten volle benut kan worden.

Zo’n Vondelvertaling zou ik overigens alleen maar toejuichen: hoe meer mensen kennis kunnen nemen van zijn oeuvre, hoe beter. Maar laten we intussen ook een academische omgeving creëren waarin andere talen dan alleen het Engels kunnen floreren.

Lees ook: Koester het Nederlands, schrijft Bas Heijne

Lesplezier

We lijken collectief vergeten te zijn dat het schrijven in de moedertaal onderhoud en oefening vergt, ook in de verdiepende fase van de studie. Dat is niet minder dan een doodzonde, die we vervolgens vergoelijken met de dooddoener dat de taal van de wetenschap nu eenmaal Engels is. Wij houden van literatuur, het interpreteren, de dubbelzinnigheid en de schoonheid van de verschillende klanken, en deze elementen spelen ook een rol bij kennisoverdracht. Het kost energie om in het Engels over niet-Engelse literatuur te doceren en dat gaat ten koste van het lesplezier.

De mooiste literaire passages over talig onvermogen zijn te vinden in de roman Niels Lyhne (1880) van de Deense schrijver Jens Peter Jacobsen. Dankzij de uitmuntende vertaling van Annelies van Hees uit 2014 (en haar voorgangster N. Boelen-Ranneft, (die in 1943 al een knappe vertaling leverde) kunnen ook Nederlandse lezers van de stilistische acrobatiek van Jacobsen genieten.

Tegelijkertijd thematiseert Jacobsen de talige beperkingen van de mens. Die komen bijvoorbeeld naar voren in de tante van het hoofdpersonage. Edele Lyhne is ongelukkig. Ze verhuist van de stad naar het platteland, maar kan niet wennen aan de manier van praten van plattelanders. Hun taal is van iedere nuance en diepgang ontdaan: „Ze [spraken] met een rechtschapen karigheid zodat je door hun frasen heen de ribben van de grammatica kon voelen, met een letterlijk gebruik van de woorden alsof ze recht uit de kolommen van het woordenboek kwamen”.

Wie in het Engels doceert over Nederlandstalige literatuur, loopt onherroepelijk tegen de ribben van de grammatica op. En wie op een willekeurig terras in Nederland wordt gedwongen zijn bestelling in het Engels door te geven, heeft soms niet genoeg aan de kolommen van het eigen woordenboek.

Two elderberry juice, please.”

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.