Recensie

Recensie Boeken

Het helse leven op een Australisch vluchtelingeneiland

Vluchtelingen en migranten Deze schrijver beschrijft het helse leven op het vluchtelingeneiland waar hij zes jaar lang vastzat. Zelfs mensen zonder empathie worden geraakt door dit boek. (●●●●)

Behrouz Boochani laat foto’s van zijn thuisland (Iraans-Koerdistan) zien aan bewoners van het eiland Manus in februari 2018.
Behrouz Boochani laat foto’s van zijn thuisland (Iraans-Koerdistan) zien aan bewoners van het eiland Manus in februari 2018. Foto Jonas Gatzer/Getty Images

‘Ik haat de maan’, denkt de Koerdische schrijver en journalist Behrouz Boochani wanneer de boot waarop hij zit voor de zoveelste keer in rondjes vaart. Hij en andere vluchtelingen proberen al dagen toegang te krijgen tot Australië. Waar ze precies zijn, is onduidelijk, alleen maakt de stand van de maan hem wel duidelijk dat er problemen zijn. ‘De maan zegt me dat we ontheemd rondzwerven’, schrijft hij in Alleen de bergen zijn mijn vrienden. Het boek is de uitwerking van berichtjes die Boochani vanaf zijn telefoon de wereld instuurde vanuit een detentiecentrum in Papoea-Nieuw-Guinea, dat de Australiërs speciaal hebben ingericht voor ongenode gasten. Hij kreeg er cynisch genoeg twee belangrijke Australische literaire prijzen voor: de Victorian Prize for Literature en de Victorian Premier’s Literary. De waardering van de jury kwam voort uit het gegeven dat Boochani het onmenselijke asielbeleid van Australië in kunst en kritische wetenschap tot uiting bracht.

Ontmenselijking, dat is de kern van het verslag van Boochani. Het begint al in de vrachtwagens waarin hij mee gesmokkeld wordt, waar iedereen om een plekje vecht en waar solidariteit het onderspit delft tegen de drang te overleven. Het wordt nog erger wanneer ze een plek op een boot naar Australië proberen te veroveren. Intens is het moment waarop het bootje omslaat en Boochani bijna verdrinkt. ‘Elke keer dat ik kopje-onder ga steekt er iets scherps, als een spijker of een mes, in mijn benen en lichaam. Pijn slaat van twee kanten toe, raakt me van verschillende kanten, maar allebei met hetzelfde doel: mijn overgave – om mijn spieren te doen verslappen en me te dwingen de dood toe te laten.’ Boochani redt het, maar dat geldt niet voor iedereen.

Nadat hij in 2013 met zijn mede-vluchtelingen door de Australische marine van de zee wordt geplukt, begint de ontmenselijking pas echt. Hij en 400 andere mannen komen terecht in een Australisch detentiecentrum op het Papoea-Nieuw-Guinese eiland Manus. Achter hekken zitten ze vast op een gebied ter grootte van een voetbalveld. In kleine ruimtes met vier stapelbedden zal hij daar de komende jaren doorbrengen, waarbij de dagen vooral gevuld zijn met in de rij staan voor water, eten en sigaretten. Wie even is afgeleid, verliest meteen zijn plaats in de rij en mag hopen op wat etensrestanten. De wc’s zijn plekken om je terug te trekken, mits je het niet erg vindt om tot je ‘enkels in de pis te staan’, tussen de algen die groeien in een mengelmoes van urine en uitwerpselen uit overstromende wc’s, wanneer de generatoren weer eens kuren vertonen.

Agressieve bewakers

De bewakers – ‘de Neushoorns’ noemt Boochani hen – houden de gedetineerden in het gelid. Wordt er niet geluisterd dan gaat de elektriciteit uit. Ook wanneer er in 2014 een eerste opstand uitbreekt, omdat de vluchtelingen willen weten welke status hun toekomstig leven heeft, wordt de elektriciteit uitgezet. De lokale bewoners stromen met hulp van de bewakers het kamp binnen, slaan vluchtelingen neer, met 62 gewonden en één dode tot gevolg. De vraag hoe het met de status van de asielzoekers zat, was in één klap helder: ga terug naar je eigen land, want het is een kleine moeite de situatie op Manus te laten escaleren.

De nederzetting op Manus werd in 2016 door de Hoge Raad van Papoea-Nieuw-Guinea illegaal verklaard. Nieuwe opstanden volgden, omdat de vluchtelingen door de Australiërs aan hun lot werden overgelaten: water, elektriciteit, alles werd afgesloten. Nieuwe opstanden braken uit, deze keer met meerdere doden.

Het lot van Behrouz Boochani bleef tot deze week onzeker. Woensdag vertrok hij naar Nieuw-Zeeland, het land dat al vaker impliciet en expliciet heeft laten merken bezwaren te hebben tegen het inhumane beleid van Australië en had aangeboden vluchtelingen op te nemen.

Herstelbetaling

‘De huidige migratie is een vorm van herstelbetaling’, schrijft de Indiase auteur Suketu Mehta in zijn boek Manifest van een immigrant. Hij plaatst hierin de toekomst van migranten tegenover de geschiedenis van het kolonialisme. ‘Voordat je anderen vraagt de grenzen van het Westen te respecteren, moet je je eerst afvragen of het Westen ooit andermans grenzen heeft gerespecteerd.’ Vanuit die westerse respectloosheid redeneert hij verder in zijn manifest over de rol van de migrant en vluchteling, de verhalen die er aan gekoppeld zijn en die hij in een context van economische feiten plaatst. De woede en het verdriet spatten van het boek af, stelt Salman Rushdie in een aanbeveling over het boek. Ook Mehta zelf benadrukt dat hij dit alles schreef in woede, maar ook met hoop, dat de ‘harten open gaan’.

De trailer van de documentaire over het eiland.

En laat dat nu het grote verschil zijn tussen Mehta en Boochani. Mehta’s boek vormt de theoretisering van de migrant, van de vluchteling, van wat Boochani heeft geleefd. Zoals zoveel schrijvers die over immigranten, asielzoekers en vluchtelingen schrijven, blijft Mehta’s woede binnen de paden. Hij verklaart als het ware de houding van (in het geval van Boochani) de Australiërs, maar laat niet zien wat de impact op de vluchteling zelf is.

En juist daarin zit de meerwaarde van Boochani’s boek. Want de woede spat er pas echt af bij hém, woede die overslaat op de lezer. ‘Ik ben een stuk vlees dat in een onbekend land is gegooid’, omschrijft hij zijn aankomst. Hij beseft al snel dat hij wordt behandeld als een ‘vijand van de Australische natie’ en dat hij en de andere gedetineerden dienen als afschrikwekkend voorbeeld voor andere vluchtelingen. En met ‘succes’: Australië heeft nauwelijks nog bootvluchtelingen.

Oproerploeg

Alleen de bergen zijn mijn vrienden behoort zonder twijfel tot de grootste gevangenisliteratuur’, schrijft de Australische succesauteur Richard Flanagan in zijn voorwoord bij dit boek. Dat klopt deels. Alleen de bergen zijn mijn vrienden maakt inderdaad een hoop romans over vluchtelingen en gevangenissen overbodig. Zelfs mensen met een minder ontwikkeld gevoel voor empathie zullen van slag raken door het steeds verdergaande proces van ontmenselijking waar de Australische bewakers de vluchtelingen toe dwingen. Dat is niet omdat Boochani van zijn boek literatuur maakt, integendeel: het werkt omdat dit juist geen literatuur hoeft te zijn.

Het treffendst wordt dit nog geïllustreerd in de cursieve teksten die het gebeuren soms in poëtische frasen proberen weer te geven. ‘De Stalen Mannen stonden stevig in hun schoenen / Hun benen leken zo sterk als metalen pilaren / Ze hielden stand tegen de stenen / Tegen het spervuur van willekeurige objecten / De regen van munitie tegen hun ijzeren keten / Het leek erop dat de keten elk moment zou kunnen breken / Maar ze bleven passen naar voren doen’, staat er bijvoorbeeld. De poging het mooi te verwoorden haalt het niet bij de scène waarin de situatie juist rauw wordt neergezet: ‘De stilte duurde niet lang. Er verscheen een team van de oproerploeg bij de hoofdingang. Een team van zo’n twaalf man. Als een vesting van stalen mannen: afzonderlijke stalen eenheden met hun fiere stalen helmen, met stalen vesten, met schilden in hun handen. Als dieren die op jacht gaan naar hun prooi.’

Alleen de bergen zijn mijn vrienden is ijzersterk in wat het wil zijn: geen beredenering, geen esthetiek, maar een aanklacht en een keihard verslag vanuit een Australische gevangenis. Daarmee is het een basis voor vluchtelingenliteratuur die niet door een buitenstaander is geschreven.

Suketu Mehta: Manifest van een immigrant. Vert. Fennie Steenhuis. Atlas Contact, 336 blz. € 24,99