Een ode aan de Gardeklok

Hans Ree

In den beginne was er geen klok, wat voordelen en nadelen had. Een kalme geest kon in alle rust nadenken, maar zijn ongeduldige tegenstander moest dan eindeloos wachten op een zet. De historicus Henry Thomas Buckle (1821-1862), die een van de beste schakers van Europa was, zei: „De traagheid van het genie valt moeilijk te verdragen, maar de traagheid van de middelmatigheid is onverdragelijk.”

Omstreeks 1850 schreef een Engelsman: „Jury’s hebben mensen veroordeeld en rechters hebben ze opgehangen om tijd te sparen. Spoorwegmaatschappijen breken tegenwoordig onze benen en soms onze nek, om tijd te sparen. Onze schaakspelers zijn de enigen in het land die zich daar niets van aan trekken.” Dat was geen compliment, maar een aansporing om ook wat sneller te worden. In die tijd werden schaakklokken ingevoerd en sindsdien is het spel steeds meer versneld.

Op de website van het Hilversums Schaakgenootschap schreef Wim van der Wijk naar aanleiding van het jubileum van de val van de Berlijnse Muur een mooie ode aan de Gardeklok. Voor de schakers was niet het koekblik Trabant, maar de Gardeklok, die tientallen jaren bij alle wereldkampioenschappen werd gebruikt, het ambachtelijke icoon van de DDR. De klokken zagen er mooi uit en ze waren oersolide en nauwkeurig, dat dacht ik tenminste en ook de wereldkampioenen dachten dat. Testresultaten aan een begin van het verenigingsseizoen leerden vaak anders, maar mijn oude Gardeklok doet het nog prima.

Je was in de toernooizaal en je hoorde alleen het geluid van het tikken van de klokken. Van ver kon je aan de knoppen op de klok zien of je aan zet was of niet, en met een scherp oor kon je zelfs het vallen van het vlaggetje horen.

Aan het eind van de vorige eeuw werden analoge klokken verdrongen door de digitale klokken, waarmee je vluggertjes met een minuut bedenktijd kon spelen. Dat kon niet met de oude Gardeklok, want die ging dan kapot.

Toen ik dat artikel van Van der Wijk las, was ik toevallig bezig aan een monumentale biografie van Kurt Richter (1900-1969) door Alan McGowan. Richter, die om zijn woeste aanvalsstijl de Beul van Berlijn werd genoemd, was als wild schaker, enthousiasmerend schrijver en zorgvuldig tijdschriftredacteur ook een icoon van de DDR.

Kurt Richter - Gheorge-Gica Alexandrescu, olympiade München 1936

1. e4 e6 2. d4 d5 3. Pc3 dxe4 4. Pxe4 Pd7 5. Pf3 Pgf6 6. Pxf6+ Pxf6 7. Lg5 Le7 8. Ld3 c5 9. 0-0 0-0 10. dxc5 Da5 11. Te1 Dxc5 12. Pe5 h6 13. b4 Typisch Richter. Hij geeft graag een paar pionnen om zijn stukken in de aanval te brengen. 13...Dxb4 14. Tb1 Da5 15. Ld2 Dxa2 Zwart is te gulzig. 16. Te3 Dd5 Hij kon de aanval nog wat remmen met 16...Td8, omdat dan 17. Tg3 wegens 17...Pe4 18. Lxe4 Txd2 niet goed is. 17. Tb5 Dd6 Hier was 17...Lc5 zwarts laatste kans. 18. Tg3 Met alle witte stukken in de aanval is zwart verloren. 18...Kh8

Zie diagram

19. Txg7 Kxg7 20. Lxh6+ Kg8 Na 20...Kxh6 wint wit met 21. Dd2+ Kg7 22. Dg5+ Kh8 23. Dh6+ Kg8 24. Pg4 Dxd3 25. Pxf6+ Lxf6 26 cxd3, waarna wits laatste twee stukken de aanval winnend afronden. 21. Df3 Pe8 22. Dg4+ Kh8 23. Lg7+ Pxg7 24. Dh3+ Lh4 25. Dxh4+ Ph5 26. Dxh5+ Kg7 27. Dg5+ Zwart gaf op.