Recensie

Recensie Boeken

De taal van nederig maar toegewijd leven

Scandinavië Heel snugger zijn de personages van de Noorse schrijver Jon Fosse niet en ze gaan bijna ten onder in een solitaire, besneeuwde wereld. Maar ze leveren bezield proza op. (●●●●)

Illustratie Paul van der Steen

Toen de Noor Jon Fosse (1959) een jaar of vijftien terug voor NRC geïnterviewd werd omdat zijn toneelstukken geleidelijk aan de wereld veroverden, werden de vier constanten in dat oeuvre benoemd als ‘man, vrouw, huis, fjord’. Het zijn vier woorden waarmee je ook prima zijn De andere naam kunt samenvatten, de eerste twee net vertaalde delen van een romanreeks die in totaal zeven delen zal beslaan (een septologie), ware het niet dat je het er tegelijk ook behoorlijk mee tekortdoet. Want ‘man, vrouw, huis, fjord’ mogen dan wel de sobere pionnen van deze boeken zijn, de diepte of toon heb je er niet mee te pakken. Zo bevatten ze bijvoorbeeld geen enkele punt; nergens sluit Fosse een zin daadwerkelijk af. Zelfs als hij na 240 pagina’s het eerste deel afrondt staat er alleen het Latijnse ‘nostrae’. Vervolgens wat witte pagina’s en dan pakt Fosse de draad in deel II weer op met het woordje ‘En’: alsof hij in de tussentijd niets meer heeft gedaan dan even adem halen en dan maar weer zo snel mogelijk door wenst te gaan met vertellen.

‘En’ is welbeschouwd niet zo’n fraai woord. Vooral niet als er ‘toen’ achter staat, zoals het ook vaak voorvalt in De andere naam; je associeert zo’n constructie eerder met een kind dat gebrekkig over een schoolreisje verhaalt dan met een schrijver die elk jaar opnieuw opduikt in de favorietenlijstjes voor de Nobelprijs voor Literatuur. Fosse gebruikt het echter volop, in een tekst waarin hij bij voortduring het kleine, het wezenlijk kinderachtige van mensen benadrukt. Schrijvers, literaire schrijvers, poetsen doorgaans op hoe mensen praten, denken of handelen. Niet dat ze voorbeeldige mensen van hen maken, maar de taal waarin ze gevat worden of waarin ze zichzelf – bijvoorbeeld in dialogen of innerlijke monologen – uitdrukken is door de wasstraat gegaan, ontdaan van uh’s bijvoorbeeld en overhuifd door wijs, duidend commentaar van de verteller.

Spek met ei en ui

Fosse doet daar niet aan mee. Zijn personages mogen eindeloos in herhaling vallen, volop basale dingen zeggen, verlangen naar kleine, eenvoudige genietingen als spek met ei en ui en meer gedachten wijden aan het aan krijgen van de kachel dan aan de categorische imperatief van Kant. Ze zijn niet heel snugger en gaan bijna kopje onder in een solitaire, besneeuwde wereld. ‘[...] ik hou mensen staande en ik vraag ze me te vertellen welke kant ik op moet, en de mensen zijn vriendelijk en behulpzaam en ze wijzen me hoe ik moet lopen, maar hoe dan ook, ik loop weer verkeerd, en dan moet ik de volgende persoon vragen die ik tegenkom, ja het is bijna als met getallen toen ik nog op school zat, wat ik ook deed of niet deed het was fout, hoe ik ook rekende het was fout, en zo is het nog met getallen, het is bijna alsof het feit dat ik niet kan rekenen en het feit dat ik de weg niet kan vinden iets met elkaar te maken hebben, maar dat kan toch niet? denk ik [...]’. Enzovoorts, enzovoorts.

Is de kwaliteit – want dat heeft het ontegenzeggelijk – van zulk proza dan te vinden in zoiets als de muzikaliteit, zoals je wel vaker leest over afwijkend formulerende schrijvers? Ook dat is het niet helemaal. Eerder is het zo dat Fosse een taal heeft willen smeden die past bij een nederig en geplaagd maar ook toegewijd leven.

Geheimzinnig

Nederig is Asle, want hij is het die in De andere naam zijn hortende monoloog afsteekt, zonder twijfel. Alhoewel hij niet eens een heel succesvol kunstschilder is en daarover zelfs wat gepest wordt door zijn buurman, de simpele ziel Åsleik, werkt hij gestaag door aan doeken waar je gaandeweg almaar benieuwder naar wordt, want ze bevatten – als het Asle gelukt is in elk geval – zoiets geheimzinnigs als een ‘licht’. Die abstracte beelden (je moet erbij aan Mark Rothko denken) zijn in zekere zin geënt op indrukken die Asle gedurende zijn leven opdeed, visuele gewaarwordingen die een diepe indruk op hem maakten.

Deze twee boeken zijn boeken over kunst, over het wezen van kunst, maar zeker ook over het houvast van een kunstenaar die niet de luxe heeft om zijn volharding te baseren op de erkenning van andere mensen, van tijdgenoten. Asle noemt zichzelf ‘toch christen’ en later vat Åsleik hem samen als ‘katholiek en communist’. Dat communistische is geen echte factor van belang, maar dat christelijke is de kurk waar de roman en waar Asle op drijven. Het biedt hem een dimensie, een verhaal waar hij op terug kan vallen: niet alleen om te blijven produceren en zo financieel het hoofd boven water te houden, maar ook om van de drank af te blijven en om de herinnering aan Ales, zijn plotseling overleden grote liefde, enigszins op afstand te houden.

Het hele eerste deel van deze septologie draait om een reisje dat Asle maakt om een naam- en ambachtsgenoot uit de brand te helpen, de drankzuchtige (hij wel) Asle die strompelend door de sneeuw op weg is naar een drankhol. Fosse’s Nederlandse uitgeverij, het sympathieke Oevers, noemt deze laatste Asle op hun site een ‘dubbelganger’ van Asle 1. Hoe men dat zo ondubbelzinnig kan stellen is mij onduidelijk, maar wie weet heeft Fosse zijn intenties met deze figuur ergens klip en klaar uitgesproken. Uit de tekst zelf is zo’n woord niet te halen en ik raad de aanstaande lezer dan ook aan om deze bezonken, bezielde boeken met een frisse, onbevooroordeelde geest tegemoet te treden. Naar aanleiding van Onderworpen liet Michel Houellebecq zich in een interview ontvallen dat ‘het zonder religie niet gaat’, leven. Fosse lijkt die stelling met dit boek te onderschrijven. Via een personage, maar toch.