Blok probeert het nu eens met passie

Buitenlandse Zaken De linkse oppositie wil meer visie en betrokkenheid van de minister van Buitenlandse Zaken zien. Stef Blok ondernam een poging.

Stef Blok: „Ik ben een zoon van de oorlog. Van ouders die een Jappenkamp ternauwernood overleefden.”
Stef Blok: „Ik ben een zoon van de oorlog. Van ouders die een Jappenkamp ternauwernood overleefden.” Foto Bart Maat/ANP

Saai is het bepaald niet in de wereld. Maar aan de minister van Buitenlandse Zaken is dat niet altijd te zien, klaagt de Tweede Kamer al langer. Stef Blok (VVD) werd donderdag tijdens het debat over zijn begroting dan ook met de nodige scepsis onthaald.

„Op een bredere visie op de veranderende internationale verhoudingen hebben we hem nog niet kunnen betrappen”, verwoordde Bram van Ojik (GroenLinks) het gevoel dat wel meer Kamerleden hebben, ook binnen de coalitie. Zelfs premier Mark Rutte (VVD) erkende vorige maand dat zijn minister niet altijd lekker uit de verf komt. „Ik praat wat enthousiaster”, zei Rutte. Maar dit moest vooral niet worden gezien als gebrek aan toewijding. „Iedereen heeft zijn eigen stijl.”

Neemt Blok de kritiek ter harte? Daar leek het donderdag wel op. Hij deed zijn best om krachtig te klinken, murmelde minder dan gewoonlijk en sloeg zelfs een persoonlijke toon aan. „Ik ben een zoon van de oorlog. Van ouders die een Jappenkamp ternauwernood overleefden.” En die hem altijd hadden ingeprent: „Dankbaar zijn aan de geallieerden, hard werken, bordje leegeten.” Een ervaring die hem ook nu als minister nog steeds motiveert, zei hij. Het liet Van Ojik niet onberoerd. „Ik vind het prettig om naar deze minister op deze manier te luisteren.”

Ook inhoudelijk probeerde Blok kracht uit te stralen. Hij zei actief te werken aan de afschaffing van de ‘unanimiteitsregel’ in het Europese buitenlandbeleid. Die leidt er vaak toe dat de EU-reacties op wereldgebeurtenissen traag op gang komen. Wat Blok betreft gaat het ‘veto’ overboord voor zaken als sancties, civiele missies en mensenrechtenverklaringen. Maar hij sloot – en dat was opmerkelijk soepel – andere terreinen niet uit, als andere EU-lidstaten hierom zouden vragen.

Ook zijn reactie op het Syriëplan dat coalitiegenoot CDA deze week lanceerde was krachtig. Het pleidooi van Kamerlid Martijn van Helvert om de diplomatieke banden met het Syrische regime aan te halen, verwees hij naar de prullenbak. „Assad verdient geen plaats aan de onderhandelingstafel, maar in de beklaagdenbank.” Nederland zou op het gebied van mensenrechten „ongeloofwaardig” worden.

De vraag bleef: waar is de visie? De wereld staat in brand, maar Blok schreeuwt het niet uit. Integendeel. Hij wil het beeld van ‘de zaakwaarnemer’ dat hij bij zijn tussentijds aantreden kreeg opgeplakt maar niet kwijtraken. Het VK staat op het punt de EU te verlaten. De NAVO, het andere anker van Nederland, ziet hulpeloos toe hoe Turkije met de inval in Syrië de bondgenoten bruuskeert. Maar op Buitenlandse Zaken lijkt het business as usual.

Waar kan of wil Nederland het verschil maken? Vroeger heette Nederland gidsland te zijn. Maar hoe staat het nu? Gewoontegetrouw wordt bij ontwikkelingen eerst naar Washington gekeken. Maar nu de Amerikanen onder leiding van president Trump steeds minder thuisgeven, raakt Nederland meer op zichzelf aangewezen.

Van Ojik, zelf oud-diplomaat, vroeg Blok om juist nu het buitenlandbeleid „opnieuw te doordenken”. Hij riep de minister op om een voorbeeld te nemen aan Rutte, minister Sigrid Kaag (Buitenlandse Handel, D66) en minister Wopke Hoekstra (Financiën, CDA). Al deze bewindslieden zetten met regelmaat „hun blik op de wereld” uiteen in toespraken, terwijl Blok zich „te vaak in pragmatisme” hult.

Maar Blok wilde het donderdag niet te veel hebben over wat hij „het visie-ding” noemde. „Een visie moet geen vlucht worden voor de praktijk.” Zijn idee van buitenlandbeleid blijft dat je er vooral „in de praktijk van alledag” iets aan moet hebben. Pragmatisme dus, maar vanaf nu wel met een extra vleugje passie.