Schoolkinderen in Nijmegen. Volgens van de Werfhorst is ongelijkheid via het onderwijs een beetje te verkleinen.

Foto George Mollering

Interview

‘Verkleinen van ongelijkheid in onderwijs gaat ten koste van elites’

Interview | Herman van de Werfhorst Het Nederlandse onderwijs selecteert vroeg op niveau. Latere selectie is ‘in’, maar het neemt de ongelijkheid niet helemaal weg.

De ‘brede brugklas’ is een toverterm geworden in onderwijsdiscussies. Sinds de Inspectie van het Onderwijs in 2016 op groeiende kansenongelijkheid wees, is-ie overal: in verkiezingsprogramma’s (van PvdA, D66, GroenLinks en het CDA), in het regeerakkoord en in het beleid van de gemeente Amsterdam, waar sinds dit jaar een ‘brede-brugklas-bonus’ is. Amsterdamse scholen die er één hebben, krijgen meer geld.

In zo’n brede brugklas zitten middelbare scholieren van alle niveaus bij elkaar. De definitieve selectie op schoolniveau wordt dan nog even uitgesteld. In die extra tijd kunnen zwakkere leerlingen (bijvoorbeeld met een lagere sociaal-economische status of een migratie-achtergrond) zich optrekken aan sterkere leerlingen. Ze komen dan vaker op een hoger niveau terecht: goed voor de kansengelijkheid, is de gedachte.

Latere schoolselectie helpt inderdaad om de kansen op een hoger diploma gelijker te trekken, stelt Herman van de Werfhorst, hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam en lid van de Onderwijsraad, in een groot vergelijkend onderzoek dat onlangs is verschenen. Hij bestudeerde gegevens uit 21 Europese landen die het selectiemoment hebben verlaat, meestal in de jaren 60 of 70.

Maar latere selectie neemt de ongelijkheid niet helemaal weg. En, opvallender: de ongelijkheid neemt óók af doordat het opleidingsniveau van de ‘bevoordeelde’ kinderen daalt.

Is dat wenselijk?

„Politiek is dat een heel interessante kwestie. Hoe verklein je de ongelijkheid als dit ten koste gaat van de elites, van de middenklasse? Door het selectiemoment te verlaten, verschuift de balans tussen hoge en lage milieus aan beide kanten: de onderkant wordt omhoog getrokken, de bovenkant iets naar beneden. De vraag of dat wenselijk is, is niet aan mij om te beantwoorden.”

Het is ook een morele vraag. Is het te verantwoorden naar de middenklasse als het opleidingsniveau van hun kinderen daalt?

„Het is in elk geval niet zo simpel dat met latere selectie alle ongelijkheden verdwijnen. Er zijn nuances. We vonden dat later selecteren niet zo veel effect heeft op de groep die erg aan onderwijs gehecht is: de hoogopgeleide professionals – advocaten, rechters en architecten. Zij proberen hun kinderen altijd een voorsprong te geven, ongeacht het systeem. Voor de kinderen van managers maakt het wél uit als je later selecteert.”

De brede brugklas wordt de laatste jaren vaak genoemd als oplossing voor kansenongelijkheid, mede door uw pleidooien voor gelijke-kansenbeleid. Heeft deze conclusie u van gedachten doen veranderen?

„Ongelijkheden verminderen door latere selectie, alleen niet altijd en niet voor alle groepen ouders. Per saldo zien we dat het onderwijsniveau zelfs een beetje hoger wordt.

„Of dat voor de Nederlandse context betekent dat de brede brugklas een goed idee is, hangt volgens mij af van het landschap waarin je zo’n brede brugklas laat bestaan. Als er nog steeds categorale scholen zijn, zullen mensen de kans om hun kind een voorsprong te geven, blijven benutten. Dat is wat anders dan het selectiemoment in het hele systeem uitstellen. De brede brugklas is daarmee eigenlijk een light-vorm van late selectie; een soort basisvorming, en dat is ook niet echt gelukt.

„Nederland is een van de weinige landen waarin het selectiesysteem niet rigoureus is aangepakt. We selecteren heel vroeg in vergelijking met andere landen, al op 12-jarige leeftijd. En die sortering is vrij deterministisch voor de rest van de schoolloopbaan.”

Lees ook: Soort zoekt soort, ook in schoolkeuze

Wat vindt u van de opkomst van scholen voor kinderen van 10 tot en met 14 jaar, aangemoedigd door het kabinet?

„Een mooi initiatief, maar het betekent geen uitstel van selectie: sommige kinderen gaan er wel naar toe, anderen niet. Weer geldt: als dit soort initiatieven naast categorale scholen bestaat, dan krijg je wat je nu in grote steden ziet: brede scholengemeenschappen die de bovenkant niet gevuld krijgen. Iedereen wil dat zijn kind naar een school gaat waar zijn eigen niveau het laagst is, zodat je in elk geval niet kunt afzakken. Dat noopt scholen ertoe om op te splitsen.”

Dat het opleidingsniveau van ouders bepalend is voor de kansen van een kind, klinkt heel logisch. Is het geen illusie dat daar veel aan te doen is?

„We kunnen ongelijkheid een beetje verkleinen, maar nooit helemaal. Veel patronen komen grotendeels voort uit het milieu van herkomst: het thuisklimaat, misschien is er een genetische component. Die ongelijkheden worden dus niet in het onderwijs gecreëerd. De overheid heeft geen invloed op de opvoeding, gelukkig, maar wél op de school. De beleidsvraag is: versterkt of verkleint de school de ongelijkheid, of verandert er niets? Op dit moment werkt ons systeem ongelijkheden in de hand.”

Lees ook Strijden tegen de onderwijssegregatie

Er is nu wel veel aandacht voor gelijke kansen in het onderwijs.

„Over het algemeen denkt men in Nederland al tientallen jaren vanuit efficiëntie in onderwijsbeleid. De arbeidsmarkt, Pisa-scores [een vergelijking van onderwijsprestaties tussen landen], zo veel mogelijk diploma’s en skills. Zonder dat er gekeken wordt naar de verdeling: wie heeft dan die hoge opleiding, wie behaalt die hoge prestaties? Dat lijkt mij een heel belangrijke vraag. Tot de jaren tachtig kreeg die veel meer aandacht. De discussies over de Mammoetwet en de middenschool speelden ook toen, maar Nederland heeft het systeem gehandhaafd dat we sinds de negentiende eeuw hebben, terwijl in andere landen de selectie echt rigoureus veranderd is.

„Sinds het vorige kabinet is dat een beetje aan het schuiven. Het leeft enorm, het ministerie heeft er een programma voor. Ik word door scholen vaker uitgenodigd voor een praatje. Maar erover praten is iets anders dan de consequenties omarmen. Ik was een keer uitgenodigd in Den Haag bij een schoolbestuur voor een lezing, op het meest chique lyceum. Ik zei: prachtig gebouw, maar waarom zitten we eigenlijk niet in jullie school in de Schilderswijk?’”

Wat zijn dan consequenties?

„Onze scholen zijn vrij autonoom: als ze alleen nog een havo- of vwo-afdeling willen aanbieden, dan kan dat. Autonomie werkt ongelijkheid in de hand. En ik denk dat scholen liever geen autonomie inleveren. Dat is hun belang. Maar het ministerie slaat ook op die trom: laat scholen het vooral zelf doen. Dan dwing je scholen in een soort marktpositie, waarin ze met elkaar concurreren om de beste leerlingen. In zo’n systeem is het niet verwonderlijk dat scholen strategisch handelen.”