Opinie

De schrijver die acht jaar gevangenschap in een Siberisch goelagkamp overleefde

Eigenlijk is het onbegrijpelijk dat deze schrijver – die de goelagkampen in Siberië overleefde – de Nobelprijs voor Literatuur niet heeft gekregen.
Michel Krielaars

In een afgelegen villa in Amsterdam-Oost, op de plek waar ooit de Hells Angels hun hoofdkwartier hadden, zijn zo’n vijfentwintig liefhebbers van de Estse literatuur bijeen om alvast de honderdste geboortedag te vieren van Jaan Kross, op 19 februari 1920. De schrijver zelf is niet aanwezig, want hij ligt al sinds 2007 in zijn graf. De aanwezige fans zijn er niet minder uitgelaten door, omdat er zojuist een vertaling is verschenen van zijn historische roman Strijd om de stad (1982). Alleen daarom al zijn zowel de Estse ambassadeur, Kross’ Nederlandse uitgever en zijn vertalers Frans van Nes en Jesse Niemeijer komen opdagen.

Eregast is Tiit Aleksejev, de voorzitter van de Estse Schrijversbond. In een korte lezing vertelt hij over het bewogen leven van Kross, die pas op zijn vijftigste met schrijven begon en daarvoor dichter en Shakespeare-vertaler was.

De fictie van Kross speelt zich altijd in het verleden af, met als hoogtepunt de vuistdikke, vierdelige debuutroman Tussen drie plagen, waarvan het eerste deel in 1970 verscheen. Het volledige boek werd in 2018 in een fraaie Nederlandse vertaling gepubliceerd en was met 8000 verkochte exemplaren een groot succes.

Dat Kross zo laat begon met het schrijven van fictie, heeft alles te maken met zijn verleden. Tijdens de Duitse bezetting van Estland zat hij in het verzet en werd hij door de SD gearresteerd. Toen de Sovjet-Unie Estland na de Duitse nederlaag annexeerde, werd hij samen met de Estse elite naar de goelagkampen in Siberië gedeporteerd. In dat laboratorium van het menselijk gedrag begon hij uit verveling met dichten.

Die Siberische jaren hebben Kross in alle opzichten gevormd, ook al mocht hij in 1954, een jaar na de dood van Josif Stalin, terugkeren naar zijn geboorteland. Tijdens zijn acht jaar durende gevangenschap had hij geleerd te overleven. Het schipperen tussen verzet, aanpassing en slaafse onderwerping aan zijn overheersers zou zijn weerslag vinden in zijn schrijverschap.

Eigenlijk gaan al zijn boeken daarover. Niet voor niets zagen eind jaren zeventig sommige critici zijn roman De gek van de tsaar als een anti-Sovjet-roman, waarin opsluiting in een psychiatrisch ziekenhuis gebruikt werd om tegenstanders van het regime uit te schakelen. Kross, een meester van de illusie, ontkende dat zelf om de KGB buiten de deur te houden. Door te kiezen voor historische fictie probeerde hij langs de Sovjet-censuur te glippen.

Aan de hand van bestaande historische personages vertelt Kross zijn eigen verhaal, waar hij dan een mythe omheen schept. Zo krijgt dat verhaal keer op keer de universele betekenis van een eenling die zich verzet tegen een grote macht.

Tiit Aleksejev beweert dat historische fictie in Estland altijd meer heeft gedaan voor het scheppen van de nationale identiteit van de Esten dan de officiële geschiedschrijving. Het 1,3 miljoen inwoners tellende Baltische staatje is daardoor een land van verhalen en lezers. Niet voor niets telt het meer dan driehonderd schrijvers.

Eigenlijk is het onbegrijpelijk dat Jaan Kross de Nobelprijs voor Literatuur niet heeft gekregen, ook al werd hij jarenlang een groot kanshebber genoemd. Maar datzelfde kun je natuurlijk ook van Philip Roth en Amos Oz zeggen. Gelukkig is er nu die vertaling van Strijd om de stad, waar ik vanavond vol verwachting aan ga beginnen.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.