Leg jij anders die dode houtsnip alvast even in de vriezer

Foto Getty Images
Foto Getty Images

Zijn ogen stonden nog helder, maar uit zijn lange, rechte snavel droop bloed. De vogel had geen zichtbare wonden en het hoofdje hing niet slap, dus eerst het dier maar eens oprapen van de desolate stoep en opwarmen in twee handen en een wollen muts. En inderdaad, zodra het warm werd in het geïmproviseerde holletje begon de vogel, die eerst doodstil lag, zich te roeren. Hij deed halfslachtige pogingen om te ontsnappen, maar zolang er nog dikke druppels bloed aan zijn snavel hingen leek dat geen goed idee.

Wat voor vogel zou dit zijn? In ieder geval niet een die je doorgaans ziet in de stad. Bruinig, groot, bol en lomp lijfje – hij zag er niet direct uit als een imposante vlieger.

Een houtsnip, was het achteloze antwoord van de man van de dierenambulance. Hij had er eerder die dag ook al één opgehaald. „Je weet wel, die vroeger op de biljetten van 100 gulden stonden.”

Inderdaad, dit is de tijd dat bij Bureau Stadsnatuur van het Natuurhistorisch Museum de geknakte houtsnippen langs worden gebracht, zegt adjunct-directeur Niels de Zwarte. Ook koperwieken, maar toch vooral houtsnippen. Meerdere? Ja, vanaf half oktober komen er regelmatig mensen langs met een dode snip, soms in de veronderstelling dat ze een hele bijzondere (dode) vogel hebben gevonden.

Dat komt omdat de trek is begonnen, zegt De Zwarte. De koperwieken komen uit Scandinavië naar hier. Je kunt ze onder meer herkennen aan het metalige gefluit als ze overvliegen. Maar koperwieken vliegen vrij hoog, en vaak in grote groepen. Ze rusten meestal hoog in bomen, dus de kans dat zij zich torpederen tegen een raam is klein.

Nee, dan de houtsnippen. „Snippen zijn de vallende sterren onder de vogels.” De meeste komen uit Rusland om hier te overwinteren, sommigen trekken nog door naar Groot-Brittannië. „Het zijn bos- en moerasvogels, die wat lager vliegen. En als ze landen, om even uit te rusten, zitten ze vaak onder struiken, waar ze bijvoorbeeld wormen kunnen vangen.”

In de stad is dat niet zo’n beste strategie. Als ze opgeschrikt worden door honden of katten, en dan – laag – wegvliegen, zitten ze zo tegen een raam. De meeste breken dan hun nek. „Op de grond schuilen, in combinatie met schrikachtig gedrag – dat is killing”, zegt De Zwarte.

Er komen sowieso regelmatig mensen langs met dode dieren. „En als het interessant is, nemen we die op in de collectie van ons museum.” Wanneer een dierenlijkje interessant is? Nou, het helpt als ze puntgaaf zijn, niet al te verwond of vergaan, legt De Zwarte uit. „Als het bijzondere dieren zijn die erg beschadigd zijn, dan prepareren we alleen het schedeltje.” Maar het hoeven geen zeldzame dieren te zijn, algemene soorten kunnen ook interessant zijn. Zo krijgt Bureau Stadsnatuur regelmatig dode vleermuizen aangeleverd, vaak omdat een kat ze te pakken heeft gekregen. „Die vinden we interessant, we laten bijvoorbeeld onderzoeken of ze ziektes hebben die katten kunnen krijgen als ze ze vangen.”

Ieuw. Hoe voorkomen de ontvangers van de lijkjes eigenlijk dat zij die – eventuele – ziektes ook krijgen? „Alle dieren gaan eerst de vriezer in. Vooral zoogdieren, die zijn wat linker omdat die dichter bij de mens staan en meer overdraagbare ziektes (zoönosen) hebben.” Dat doet het Natuurhistorisch Museum overigens ook met opgezette dieren die zijn uitgeleend: hup, weer even de vriezer in voor ze terug naar hun plaats mogen in het depot. Maar dat is tegen museumplagen zoals motjes.

Bij de ‘vers’ binnengebrachte dode dieren zijn bacteriën het grootste risico. Niet virussen, de meeste virussen overleven de dood van een gastheer niet lang. Ok. En hondsdolheid, vleermuizen, kunnen toch ook hondsdolheid overbrengen? „Er zijn in Nederland maar twee soorten vleermuizen die hondsdolheid kunnen hebben”, zegt De Zwarte opgewekt. „En dat is dood niet overdraagbaar.”

Gelukkig maar. Dan rest alleen de vraag hoe je dieren eigenlijk zelf veilig kunt aanleveren. Dat is eenvoudig: gebruik handschoenen of een plastic zakje om het lijkje op te rapen, en was je de handen goed. Het liefst wil het museum dat mensen dode dieren aanleveren in een dubbele plastic zak. Met gegevens van de vindplaats, datum en de vinder. En wie weet zie je dan later in het museum een opgezette houtsnip terug met jouw naam op het kaartje.