Opinie

Het kolossale misverstand van Jo Ritzens nieuwe schoolatlassen voor Rusland

Eén hoofdzaak zagen ‘wij’ na 1990 over het hoofd: hoe diep het imperialistische bewustzijn in Rusland was geworteld en hoe scherp de collectieve herinnering daaraan in de voormalige satellietstaten was, analyseert Hubert Smeets.

Hubert Smeets

Rusland had ‘ons’ nodig na 1989. Daarom ging Jo Ritzen, onderwijsminister in het derde kabinet-Lubbers (1989-1994), in maart 1992 niet met lege handen naar Moskou. Terwijl de vrije markt de inflatie daar naar een Weimariaanse hoogte van 2.000 procent opschroefde, bood hij de Russische regering hulp aan. Het Russische onderwijs was de enige verworvenheid van driekwart eeuw communisme die buiten kijf stond. Ritzen dacht onder meer aan nieuwe schoolatlassen. Omdat de Sovjet-Unie uit elkaar was gespat, moesten de grenzen op de landkaarten worden bijgewerkt.

Nieuwe atlassen in de klas: het leek logisch, maar was een kolossaal misverstand.

Rusland was net een kwart van zijn grondgebied en bijna de helft van zijn bevolking kwijtgeraakt. Het land was een paar eeuwen in de tijd teruggeworpen, tot voor Peter de Grote. Dat was op zich niet de schuld van het Westen, maar van Rusland. In 1990 had het Russische parlement besloten dat zijn eigen wetten voortaan boven die van de Sovjet-Unie gingen. Een jaar later hadden de Russen hun eigen president Jeltsin gekozen. En weer een half jaar later had hij de unie ook formeel opgeheven.

Rusland had, kortom, zelf het Russische Rijk, zoals de Sovjet-Unie ondanks de communistische constructie werd gevoeld, opgeblazen. De burger ervoer het anders. Ook al hadden Rusland en het Westen er onderling geen schot om gelost, de grenzen van het nieuwe Rusland waren, zoals president Poetin zou zeggen, de „grootste geopolitieke catastrofe van de 20ste eeuw”.

De schoolatlassen van Ritzen wreven die vernedering nog extra in.

Dat was niet zijn bedoeling. Europa had, ondanks triomfalistisch en ook verklaarbaar paternalisme over de superioriteit van ‘onze’ democratische cultuur, wel degelijk oog en oor voor de noden van het Oosten. De hardvochtigheid van Versailles 1919 was niet vergeten. Het noodlot van Weimar 1933, een historische connotatie die toen opdook, evenmin. Premier Lubbers opperde een ‘gas-rotonde’ ter wille van investeringen in de Russische energiesector, een idee dat uitmondde in het Energiehandvest van Den Haag. Europa ondernam meer initiatieven om de ‘maatschappelijke transformatie’ in het postcommunistische ‘socialistische kamp’ te ondersteunen.

Maar één hoofdzaak zagen ‘wij’ in het Westen toch over het hoofd: namelijk hoe diep het imperialistische bewustzijn in Rusland was geworteld en hoe scherp de collectieve herinnering daaraan in de voormalige satellietstaten was. Dat was ‘onze’ fout, zoals ik in mijn column van twee weken geleden beloofde.

Dat de westerse alliantie die tegen, haaks op elkaar inwerkende noties, niet onderkende, was raar, om niet te zeggen onvergeeflijk. Veel Europese landen hadden immers zelf ervaring met postkoloniale fantoompijn en hadden kunnen weten dat imperiale trauma’s nooit helemaal genezen.

Drie decennia na de Muur komen deze historische karrensporen onder het asfalt (dixit historicus Maarten Brands) zowel in Oost als West weer aan de oppervlakte. Terwijl Rusland tamboereert op zijn mondiale status – van Georgië en Oekraïne tot Syrië – is nu het Westen verwikkeld in naijlende traumaverwerking. Amerika wil great zijn, maar kan niet kiezen tussen isolationisme en imperialisme. Brexit geeft Engeland de illusie dat het empire weer gloort. In Duitsland rukt een politieke partij op, wier leider schande spreekt van het Holocaust-monument in Berlijn. En Nederlanders bevechten rond Dokkum niet de wraak van Bonifatius maar van de VOC.

Dertig jaar na de Muur spuugt het kolossale misverstand van Ritzen ‘ons’ nu smerig in het gezicht.

Oost-Europa-expert Hubert Smeets werkt bij het kenniscentrum Raam op Rusland. Hij schrijft om de week over de kantelende wereldorde.