Chinese reuzenaap had uitzonderlijk sterke tanden

Paleontologie Onderzoek aan een twee miljoen jaar oude fossiele kies werpt nieuw licht op de ontwikkeling van vroege mensapen.

Een kaak van de Gigantopithecus blacki.
Een kaak van de Gigantopithecus blacki. Foto Nature

Een kies van 1,9 miljoen jaar oud, afkomstig van een uitgestorven reuzenaap, werpt nieuw licht op de evolutionaire geschiedenis van mensapen. De mogelijk drie meter grote Gigantopithecus blacki blijkt verwant te zijn geweest aan de orang-oetan. Dat schrijft een internationaal team van geologen en biologen deze week in Nature. De wetenschappers analyseerden de eiwitten uit het glazuur van de kies. Nog nooit eerder werd er zulk oud eiwitonderzoek bij dierlijke fossielen verricht.

Een artistieke impressie van de reuzenaap die twee miljoen jaar geleden in Azië leefde. Beeld Studio Kyama LLC

Gigantopithecus blacki werd ontdekt in 1935, toen de Duitse paleontoloog Ralph von Koenigswald een kies van de uitgestorven mensaap aantrof bij een apotheker in Hongkong, veel groter dan tot dan toe bekende kiezen. In de decennia daarna werden er meer fossielen van de soort ontdekt, waaronder duizenden tanden en enkele onderkaken. Op basis daarvan wordt zijn lengte tussen de twee en drie meter geschat. Duidelijk was dat Gigantopithecus blacki leefde in de subtropische bossen van Zuidoost-Azië – naar schatting tussen de twee miljoen jaar en 300.000 jaar geleden, tijdens het Pleistoceen. Maar hoe de soort zich verhield tot andere (uitgestorven en nog levende) mensachtigen bleef tot nu toe onduidelijk.

De nu onderzochte kies komt uit de Chuifeng-grot in China en behoorde volgens de onderzoekers toe aan een vrouwelijke aap. Peptiden (eiwitbouwstenen) die specifiek in ‘mannelijk glazuur’ voorkomen, ontbraken. Maar, zo houden ze een slag om de arm, dat zou ook kunnen komen doordat die specifieke peptiden de tand des tijds niet hebben doorstaan.

Uitgestorven

Om inzicht te krijgen in de plek die Gigantopithecus blacki inneemt in de mensapenstamboom, vergeleken ze de eiwitsequenties uit het tandglazuur met die van huidige mensen, grote mensapen (chimpansees, bonobo’s, gorilla’s, orang-oetans), kleine mensapen (witwanggibbons) en resusapen. Die laatste soort behoort niet tot de mensapen maar tot de makaken, die zich al heel vroeg in de evolutie van de rest afsplitsten en ook het verst van de andere soorten afstaan in de stamboom. Hiena splitsten de witwanggibbons en andere kleine mensapen zich af van de grote mensapen.

Uit het huidige onderzoek blijkt dat Gigantopithecus blacki een zustergroep vormde met de orang-oetans, en daarmee verder afstaat van de gorilla’s, de chimpansees en de moderne mens. Vermoedelijk leefde de gemeenschappelijke voorouder van de uitgestorven reuzenaap en van de orang-oetan tussen de tien en twaalf miljoen jaar geleden. En passant ontdekten de biologen ook dat het tandglazuur van Gigantopithecus blacki een specifiek eiwit bevat, AHSG, dat níét in het tandglazuur van andere mensapen te zien is. Waarschijnlijk bevordert dat eiwit de biomineralisatie van het gebit, wat resulteert in een extra dikke glazuurlaag.

Met hun resultaten leveren de onderzoekers niet alleen een aanvulling op de mensapenstamboom, maar laten ze ook zien dat het mogelijk is om biomoleculair onderzoek te doen aan een fossiel van bijna twee miljoen jaar oud. Zelfs onder suboptimale (want warme en vochtige) subtropische omstandigheden kan tandglazuur goed genoeg bewaard blijven om er eiwitonderzoek aan te doen, concluderen ze. Beter gepreserveerde kiezen van drogere, hogere breedtegraden bevatten mogelijk bruikbaar eiwitmateriaal dat nóg ouder is. Dat biedt kansen voor toekomstig onderzoek aan uitgestorven mensachtigen.