Opinie

Beperkt

Ellen Deckwitz

Omdat haar containerwoning lekt, logeert mijn achternichtje (21) deze week bij me waardoor ik ook weer even student ben: ’s avonds eten we friet, hangen we in pyjama’s op de bank met wijn en thee en kletsen we over jongens. Overdag, tussen de colleges door, zit ze aan mijn keukentafel te studeren. Ze is tweedejaars geneeskunde en af en toe kijk ik over haar schouders mee, om een kleine blik achter de schermen van het menselijk lichaam te krijgen.

„Het is echt zo bizar dat het allemaal meestal gewoon werkt”, zegt mijn achternichtje na een dag blokken. „Hoe idioot volmaakt bloed, hormonen en organen op elkaar zijn afgesteld, het is zo minutieus, soms vind ik het echt een wonder dat we bestaan.”

„Laat staan dat je door erin te snijden, ons soms nog béter kan maken.”

„Ja”, zegt ze, en aait met haar hand over de stapel syllabi die ze voor het einde van deze maand uit het hoofd moet kennen. Hele bibliotheken zijn volgeschreven over onze lijven, over iets dat zelden boven de twee meter uitkomt bestaan tienduizenden kilometers aan geschriften en nog steeds tasten we over een deel in het duister.

„Hoe meer je weet, hoe minder”, zucht ze even. „Maar goed, ik ben blij dat we maar vier ledematen hebben en flink wat organen dubbel. Dat scheelt weer.”

„Hoezo?”

„Nou, ik droom weleens dat ik straks eindelijk de OK in mag en dan opeens een patiënt met lichaamsdelen op mijn operatietafel krijg waar ik niets van weet. Laatst droomde ik bijvoorbeeld dat ik een man met kieuwen moest behandelen.”

„O jemig ja, dan kan ik me indenken dat je blij bent dat we inderdaad geen vissenstaart hebben of vleugels.”

‘Weet je hoeveel extra tentamens ik zou moeten afleggen wanneer we ook onder water hadden kunnen ademen? Of centauren waren? Of zelfs als we meer dan twee armen zouden hebben zoals hindoegoden, dat zijn ook weer allemaal extra spieren en botten waar iets mee kan misgaan.”

„De wachtlijsten zouden nóg langer zijn.”

„Het is opmerkelijk”, zegt ze na er even over te hebben nagedacht, „hoezeer de mens altijd meer dan een mens wil zijn. Al die verhalen waarin we superhelden zijn, vleugels hebben, zeemeerminnen zijn of meerdere ledematen bezitten. Terwijl het ook veel meer gedoe betekent om de boel weer op te lappen.”

Ik moet even denken aan de Italiaanse filosoof Paul Virilio, die schreef dat wie de trein ontwerpt, daarmee ook het treinongeluk in leven roept.

„Ik ben blij dat we beperkt zijn”, zegt mijn nichtje ten slotte. „Vliegen kunnen we altijd nog in onze dromen, en daar is er geen scalpel of extra bloed voor nodig om ons in de lucht te houden.”

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.