Opinie

Weg

Marcel van Roosmalen

Maandag, ik was in verband met Sint-Maarten halsoverkop op zoek naar een lampion, bleek opeens dat Blokker uit het dorp verdwenen was. Ik stond geslagen voor de dichte deur van het warenhuisje. Het voelde alsof toch nog onverwachts een doodzieke kennis was overleden en ik geen afscheid had kunnen nemen.

Het winkelhart van Wormer was al geen feest, maar nu waren met een rake klap de voortanden uit het gebit geslagen.

Hoe verder? Moest ik dan voortaan bij het Kruidvat gaan schuilen als het begon te regenen?

Nooit eerder bezocht ik een Blokker zo vaak, ik heb helemaal niets met die winkelformule, maar daar hing altijd een welwillende sfeer. Het echtpaar dat de vestiging runde, schreef dienstbaarheid nog met een hoofdletter D.

Zij hield zich altijd bij de kassa op en was heel precies als er ergens een stickertje vanaf gekrabd moest worden. Hij maakte een gejaagde indruk, het witte overhemd fladderde uit de te ruime zwarte bandplooibroek als hij weer eens een stapel dozen van niets naar nergens aan het verplaatsen was. Vaak zat hij in zijn kantoortje achter in de zaak, waar hij via een monitor in de gaten hield of er nog iets verkocht werd. Als je haar iets vroeg, kwam hij al met het product aansnellen voordat ze had kunnen antwoorden. Zij glimlachte dan vriendelijk en deed snel een stapje achteruit.

Vorige week zei hij me, terwijl hij met de achterkant van de hand de broodkruimels van zijn gezicht sloeg, dat de grote stuiterballen waren uitverkocht, maar als ik dat wilde nam hij ze weer in het assortiment op.

Wilde ik dat? Ik zei maar eerlijk dat ik daarover moest nadenken. Waarom wist ik hun namen niet?

En waarom was ik de enige die niet wist dat ze weggingen? Zelfs de vriendin wist het. Hoewel ik in alles uitstraal dat ik niet op dorpse nieuwtjes zit te wachten, voelde ik me toch overgeslagen.

Ik zei dingen als: ‘Ik vond het altijd een mooi gezicht als hij op zijn ladder stond om zijn plastic Blokker-vlag op te hangen en dat dan tegelijkertijd zijn telefoon ging’ en ‘ik ben de kinderen daar echt vaak kwijtgeraakt’.

Het briefje op de deur – „We hopen u te mogen begroeten in onze nieuwe vestiging in Krommenie waar we verder bouwen aan onze toekomst” – ontroerde. Die toekomst is tegenover een boekhandel waar het management inmiddels iedere betalende klant een knuffel geeft na het afrekenen.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.