Recensie

Recensie Beeldende kunst

Tekeningen voor de openbare ruimte

Tentoonstelling Loes van der Horst bevrijdde textielkunst van een tuttig imago. Haar werk is nu te zien in Museum Kröller-Müller.

Loes van der Horst, Zonder titel, 2002. Aquarel en potlood op papier, 74,5 x 100 cm.
Loes van der Horst, Zonder titel, 2002. Aquarel en potlood op papier, 74,5 x 100 cm.

Door de ruimte van het witte blad papier zweven vlekken, losjes geschilderd in rode verf. Ze veranderen voortdurend van gedaante: van abstracte vormen in boombladeren, in torso’s, in vogels, in wasgoed waaiend in de wind, en weer terug. Ze vliegen boven een schetsmatige ondertekening gedaan in dunne potloodlijnen. De ondertekening biedt een raster dat de beweging van de vormen structureert en dat tegelijkertijd een perspectivische ruimte opent. De sensatie van diepte en beweging, van adem, is kenmerkend voor het werk van Loes van der Horst (1919-2012).

Van der Horst, die in de jaren zeventig bekendheid verwierf met textiele projecten in de openbare ruimte, omschreef haar werk ooit als ‘het afspannen van vormen in de ruimte’. Aanvankelijk, in de jaren zestig, maakte ze geweven tapijten en wandkleden van natuurlijke materialen, onder meer met patronen van bloemen en waterplanten. Ze was er niet tevreden mee: het werk verkocht te gemakkelijk vond ze, succes was verzekerd, het daagde haar niet uit. In de jaren zeventig stapte ze over naar meer experimentele technieken met synthetische vezels.

Loes van der Horst, Rode Vormen I. Potlood en verf op papier, 148 x 123 cm. Schetsontwerp uit 1992 voor binnenplaats BVD, Leidschendam

Van der Horst was geboeid door de spanning en ontspanning van draden in weefsels. Door hiermee te variëren ontstonden gaandeweg driedimensionale objecten. Ze maakte deel uit van een beweging in de jaren zeventig, niet alleen in Nederland maar ook internationaal, waarbij de textielkunst zich bevrijdde van het imago van truttige vrouwenkunst en als aparte categorie in de kunst werd opgeheven. Van der Horst vertaalde de wisselwerking van spanning en ontspanning naar doeken en vlakken in de ruimte. Spanningsverschillen in het weefsel deden holle en bolle vormen ontstaan. Zo was het een kleine stap naar sculpturale projecten, met geknoopte en elastische zadeldakconstructies, of constructies van dunne membranen die terrassen overkoepelen. Deze lichte bouwsels van stokken met een huid eroverheen gespannen roepen associaties op met parachutes, nomadententen, witte zeilen of plantenbladeren met nerven. Van der Horst bouwde aan een efemere architectuur.

Vissen in een aquarium

De hierboven beschreven tekening Rode Vormen 1 was een schets voor een opdracht voor de binnenplaats van het gebouw van de Binnenlandse Veiligheidsdienst in Leidschendam. Daar zwemmen de rode vormen van kunststof, bevestigd aan kabels die over de binnenplaats zijn gespannen, als vissen in een aquarium, zoals Van der Horst zelf zei. De tekening is te zien op een tentoonstelling van dertig bladen in het Kröller-Müller Museum. Alle tekeningen zijn eigendom van het museum, en ongeveer de helft ervan is recent geschonken door de twee zonen van de kunstenaar.

Als vijftienjarig meisje vertrok Van der Horst naar Wenen om de basisopleiding aan de Kunstgewerbeschule te volgen, een opleiding die verwant was aan de Wiener Werkstätte. In het boek Voor de Horizon (2009) beschrijft ze hoe ze „sprookjesachtige Weense barokkerken” bezocht en „moest lachen bij het idee dat je met je blik langs al die beelden en kolommen omhoog geleid wordt tot je via de wolken en engelen in de hemel terecht zou komen, terwijl je in Holland rechtop staand de hemel tot op ooghoogte boven de horizon ziet”. Ze miste het uitgestrekte vlakke land en de zee. De horizon die de hele blik omvat, loopt in Nederland door tot onder je voeten, en dat gaf haar „meer houvast dan met je hoofd in de nek omhoog te moeten kijken”.

In 1938 trok Hitler Wenen binnen. In het familiearchief van Van der Horst zijn foto’s van deze gebeurtenis te vinden. De Führer nam zijn intrek in het Imperial Hotel, pal tegenover het appartementengebouw waar Van der Horst woonde bij haar oom en tante. Hitler sprak het volk toe vanaf het balkon van het hotel, dat behangen was met hakenkruizenvlaggen.

Loes van der Horst, Zonder titel, 1998. Potlood en gouache op papier, 149,5 x 72,5 cm.

Van der Horst keerde terug naar Nederland, waar zij tot 1941 studeerde aan de Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. De vroege tekeningen van zee en strand (niet te zien op de tentoonstelling) tonen haar fascinatie voor de horizon en de perspectivische ruimte, groots, weids en open. Soms is een enkele handeling voldoende om die ruimte op te roepen. Een gekleurde lap ligt op het strand, trek er met je vinger een lange streep langs in het zand en je hebt een wapperende vlag. Een gekreukeld vel papier is een berglandschap, een paar rijen rode, roze en blauwe badhanddoeken in het zand zijn bollenvelden bezien in vogelvluchtperspectief. Die ruimte kan ook op een niet-verhalende, niet-verwijzende manier worden opgeroepen, door een precieze verhouding van lijnen en vlakken.

Schaatsers op ijs

Zo beweegt de tentoonstelling zich tussen atmosferisch landschap en formele structuur. Een foto van schaatsers op knalblauw ijs, doortrokken van witte strepen en krassen, onder een blauwe lucht met wolken, kan aanleiding zijn tot een tekening van een verstild landschap bestaande uit enkele krasserige lijnen. Een raamplaats in het vliegtuig leidt tot een duizelingwekkend, kantelend beeld van wolken van bovenaf bezien, met daaronder de gekromde horizon. Een constellatie van zwarte balken, in inkt op papier, vormt een wankel verticaal evenwicht, het is zo’n beetje het tegendeel van de kolommen in een barokkerk die ooit de lachlust van Van der Horst opwekten. Gebroken Balken verbeeldt hoe een omvallende zwarte balk in stukken breekt, boven een solide horizontale balk. Steeds weer gaat het over beweging en vluchtigheid, gedaan met ogenschijnlijk eenvoudige en minieme middelen.

Toen Van der Horst in 1981 een expositie had in het Stedelijk Museum in Amsterdam, zei de dichter Anneke Brassinga tegen haar: „Wanneer het even tocht, waait je hele tentoonstelling het raam uit.” Dat was een groot compliment.