Necrologie

Raymond Poulidor: de beste Franse wielrenner die nooit de gele trui heeft gedragen

Necrologie Raymond Poulidor (1936-2019) Raymond Poulidor was de knuffelbeer van het Franse wielrennen. Niemand was populairder dan Poupou, die in zijn lange profloopbaan heel vaak tweede werd.

Raymond Poulidor (rechts) zij aan zij met zijn kwelgeest, geletruidrager Jacques Anquetil op de flanken van de Puy de Dôme in de Tour van 1964.
Raymond Poulidor (rechts) zij aan zij met zijn kwelgeest, geletruidrager Jacques Anquetil op de flanken van de Puy de Dôme in de Tour van 1964. Foto AP/Roger Krieger

De beste Franse wielrenner die nooit de gele trui heeft gedragen. Raymond Poulidor, nationale wielerheld – bijgenaamd ‘de eeuwige tweede, bijgenaamd Poupou – is na een kort ziekbed op 83-jarige leeftijd overleden. In Nederland werd hij ook bekend als schoonvader van Adri van der Poel en later grootvader van diens zoon Mathieu, over wie hij vorige zomer nog zei: „Veel talentvoller dan ik, jammer dat hij nog geen Tour rijdt. Ze brengen hem veel te voorzichtig.”

Poulidor fietste zeventien jaar bij de beroepsrenners, reed veertien keer de Tour de France, stond acht keer op het podium in Parijs, werd drie keer tweede en vijf keer derde.

De geboren aanvaller was populairder dan tijdgenoot en tijdritspecialist Jacques Anquetil, die met een afwachtende rijstijl zijn gele truien verdedigde – en de Tour vijf keer won. Poulidor was beter dan de eendagsvliegen Lucien Aimar (1966) en Roger Pingeon (1967). Maar toch, maar toch. Geen dag in het geel.

Maar wel een nacht, vertelde een grijnzende Jan Janssen – vriend, tijdgenoot en Tourwinnaar van 1968 – zo’n twintig jaar geleden tegen NRC. „We reden ooit een criterium bij Rouen, in de buurt van Anquetil. Hij had thuis een muur die je kon omdraaien. Dan kwam een hele bar tevoorschijn. Net James Bond. Om een uur of twaalf waren we allemaal zo blauw als een toeter. Toen hebben we Poulidor in zijn slaap omgekleed. Hij had nooit een gele trui gedragen. Ik had er toevallig nog een in mijn koffer liggen. We hebben foto’s gemaakt. L’Equipe had er een wereldprimeur mee kunnen hebben.”

Janssen, in 1968 de eerste Nederlandse Tourwinnaar, had het lef en de bravoure die Poulidor miste. Anquetil en later Eddy Merckx waren een maatje te groot, maar in de tussenliggende jaren had Poulidor de Tour kunnen en moeten winnen. Hij miste killersinstinct (bluffen, kongsi’s sluiten, rivalen in de hekken rijden) en koersinzicht (demarreren als de concurrent een inzinking heeft).

Proefkonijn

Het publiek koesterde de underdog, schreeuwde hem naar de finish: Allez Poupou! Het betekent zoiets als ‘hup poppetje’ in het Frans. Hij hield niet van zijn bijnaam, maar maakte zich er ook niet erg druk om. Typisch Poulidor.

Zoals hij zich in 1966 ook niet druk maakte om de eerste dopingcontrole in de Tour. Hij was bij toeval proefkonijn, testte negatief en hield zich een dag later afzijdig bij een protestactie onder aanvoering van Anquetil en de Duitser Rudi Altig, twee wielerkampioenen die er geen geheim van maakten wel eens uit de pot te snoepen (eufemisme voor dopegebruik). „Sindsdien verleenden ze me geen gunsten meer”, zou Poulidor later zeggen.

Raymond Poulidor met kleinzoon Mathieu van der Poel bij het wereldkampioenschap veldrijden. Foto Tim De Waele/LC

Doping en combines of niet, Poulidors erelijst bleef buiten Frankrijk beperkt tot zeges in Milaan-Sanremo (1961), de Waalse Pijl (1963), de Ronde van Spanje (1964) en veel kleinere rittenkoersen. Troostprijzen voor een Fransman in een periode dat het mondiale wielrennen door de Fransen werd gedomineerd. Hij was in de herfst van zijn wielerloopbaan nog ploeggenoot en meesterknecht bij Gan Mercier van Joop Zoetemelk, die ook ‘eeuwige tweede’ werd genoemd maar de Tour en het WK wél een keer won.

Lees ook dit artikel uit 2004 toen een Tour de France-etappe als eerbetoon aan Poulidor vanuit zijn geboorteplaats Saint-Léonard vertrok

Raymond Poulidor, opgegroeid als boerenzoon in de buurt van Limoges in het hart van Frankrijk, kreeg in 2004 een eerbetoon van de Tour-organisatie. Een etappe startte dat jaar in zijn woonplaats Saint-Léonard-de-Noblat. De plaatselijke kapper vertelde in NRC over Raymonds broer Henri, die misschien nog wel harder kon fietsen maar niet als sportman leefde. „Als Henri een mooie vrouw langs de kant zag staan, dan stopte hij.”

Raymond, de nationale knuffelbeer, was en bleef een voorbeeldige prof. Na zijn carrière was hij decennialang gastheer in de Tour. Met handen als kolenschoppen en almaar grijzer leidde hij dagelijks gasten rond in het Village Départ. Hij werd dan in een gele trui gehesen en onderging deze wielerhumor schijnbaar tevreden. Iedereen wilde met hem op de foto. Eens een held, altijd een held.