Mannetje van de radio

Ewoud Sanders

Woordhoek

Wat ik miste in de berichtgeving over het honderdjarig jubileum van de radio, is aandacht voor de grote rol die dit medium heeft gespeeld in de geschiedenis van het Nederlands. Toen Hanso Idzerda in november 1919 vanuit zijn huis in Den Haag radioprogramma’s begon uit te zenden, was Nederland een land waarin honderden dialecten werden gesproken. Van de krap zeven miljoen inwoners die ons land toen telde, verlieten de meesten zelden of nooit hun dorp of stad: men had er simpelweg geen geld voor.

Het gevolg was dat zij het Nederlands uitspraken zoals hun dorps-, stads- of streekgenoten. Verschillen ontstonden vlug: soms spraken ze in een nabijgelegen dorp al een tikkeltje anders. Weliswaar pleitten taalkundigen al sinds de tweede helft van de negentiende eeuw voor Algemeen Beschaafd Nederlands (ABN), maar in de praktijk streefde alleen de elite die zogenoemde „bovengewestelijke uitspraak” na. De kans dat de gewone Nederlander – mocht die ooit hebben bestaan – iemand anders dan bijvoorbeeld de dominee of dorpsarts ABN hoorde spreken, was erg klein.

Tot Idzerda begon met zijn heldhaftige radioavontuur, dat spoedig door anderen werd nagevolgd. Het aantal luisteraars steeg ook spoedig. In 1928 verkocht Philips vijftigduizend radiotoestellen, het jaar daarop waren dat er tweehonderdduizend. De uitzendingen werden door het hele gezin beluisterd, dus het bereik moet enorm zijn geweest.

Overigens kregen de allereerste luisteraars aanvankelijk alleen plaatopnamen te horen. Idzerda noemde zijn zender ‘Prachtige Concerten Gratis Gegeven’ – een creatieve verklaring van de letters PCGG op zijn PTT-zendvergunning. Maar hij zette al na korte tijd muzikanten en sprekers voor zijn microfoon. Zo kwam de „voordrager” J. Haus in juli 1921 bij hem het verhaal ‘De granaat’ van Hans Martin „declameren”. „Ook nu was elk woord zóó duidelijk te verstaan”, schreef een krant de volgende dag, „dat het scheen alsof de heer Haus naast den hoorder stond.”

Ik vraag me af hoe dit op de luisteraars moet zijn overgekomen, bijvoorbeeld in Weidum, het Friese dorp waar Idzerda opgroeide. Zal iemand hier de declamatie van Haus hebben opgevat als leidraad voor de verbetering van zijn of haar uitspraak van het Nederlands? En hoe zal men hebben geluisterd naar de vele hoorspelen? Zullen er veel luisteraars zijn geweest die hebben gedacht: ahhh, dus zooo moettt ikk voorrrtaannn gaan sprrrrekennn?

„Het belang van de radio voor de taalgeschiedenis van de 20ste eeuw is enorm geweest”, schreven Joop en Kees van der Horst in 1999 in hun standaardwerk Geschiedenis van het Nederlands in de twintigste eeuw. „De televisie heeft vanaf de jaren vijftig deze ontwikkeling verder gestimuleerd en versneld, maar de radio is de baanbreker geweest.”

Hoe dit proces van beïnvloeding precies is verlopen, is niet meer te achterhalen, maar je mag aannemen dat radioluisteraars - en zeker ook onderwijzers - bepaalde invloedrijke sprekers als voorbeeld namen. Zeker in het begin zullen dit alleen mannen zijn geweest. Sterker, het mannetje van de radio werd een begrip in het Nederlands. Dit dankzij een liedje van Kees Pruis uit 1929 met in het refrein de zin: „Hallo, hallo, zeg mannetje van de radio.”

Aanvankelijk zei en schreef men overigens in de radio („de dappere stemmen in de radio”). Aangenomen wordt dat het later op de radio is geworden omdat wij ook op televisie gingen zeggen.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders