Opinie

Doe vooral je dingetje

Frits Abrahams

In de tram was er voor mij alleen plaats in een groepje druk pratende mensen, prille twintigers nog. De man naast wie ik ging zitten, was eigenlijk nog te jong voor het grijze kostuum dat hij droeg. Hij had een bleek pafferig gezicht en onderhield zich met een andere jonge man op het bankje achter ons. Aan de andere kant van het gangpad zat een gebrilde vrouw, die zich af en toe met het gesprek bemoeide.

„Morgen moet ik op gesprek”, zei de man naast mij, „ze willen weten of ik wegga vanwege die ruzie met Lize.”

„Dat hoef je toch niet te zeggen?” vroeg de andere man.

„Die ruzie staat erbuiten. Ik ga weg omdat de horeca me niet bevalt. Ik moet op zoek naar heel ander werk. De horeca betekent dat je in het weekend moet werken. Daar heb ik geen trek in, ik wil dan mijn dingetje doen.”

Dolgraag zou ik gevraagd hebben wat zijn dingetje precies inhield, want dat zeggen de mensen er vaak niet bij. Het is in korte tijd een reuze populaire uitdrukking geworden: je ding doen. Het is overgewaaid uit de Amerikaanse straattaal, waar het meestal wordt gebruikt als aansporing om je eigen talent te ontwikkelen: do your own thing. In het Nederlands kan het van alles betekenen: een eenmalig klusje, maar ook een hobby of beroep. „Ik probeer mijn ding te doen”, zegt Myron Boadu, de jonge voetballer van AZ, voor het eerst geselecteerd voor het Nederlands elftal.

Tussen de jonge mannen ontspon zich nu een dialoog over hun beider toekomst.

„Voor mij is werken in het weekend geen bezwaar”, zei de man achter mij.

„Jij zit anders in elkaar”, knikte mijn buurman. „Jij bent meer een horecatype. Je bent open, sociaal. Dat maakt je zo geschikt voor de horeca.”

„Ja, ik lul wat af.”

„Toch gaat Joke wel degelijk weg vanwege die ruzie met Lize”, riep de jonge vrouw vanaf de zijkant.

Ik betreurde haar interventie want het had iets aandoenlijks, die spontane gedachtewisseling tussen collega’s over hun mogelijkheden. Ze werden erdoor afgeleid en begonnen over uitgaan te praten. Mijn buurman verlangde naar een drankje, de ander ging naar het concert van een zanger van wie hij de naam was vergeten.

„Ik hou van twee merken, Otard en Hennessy, maar Hennessy mét cola”, preciseerde mijn buurman, kennelijk een grotere cognackenner dan ik ooit was geweest. „Van de drie dingen die ik niet mag doen, doe ik er twee”, voegde hij er geheimzinnig aan toe. Zou hij daar misschien ook op hebben gedoeld toen hij het over zijn ‘dingetje’ in het weekend had?

„Coke en crack?” informeerde de ander lachend.

„Nee”, zei mijn buurman, „drank en sigaretten.”

Oók dodelijk, had ik kunnen zeggen, maar waar bemoeide ik me dan mee? Wie zat er te wachten op het ongevraagde advies van iemand die zijn grootvader had kunnen zijn?

Het drietal nam na aankomst bij het Centraal Station amicaal afscheid van elkaar. Het viel me nu pas op hoezeer mijn buurman in zijn grijze pak afstak tegen de slordige spijkerkleding van zijn collega. Het was alsof hij met zijn kostuum al een voorschot had genomen op zijn nieuwe toekomst, een voorlopig nog onbereikbaar log ding, dat zijn leven misschien ooit meer zou overheersen – ook in het weekend – dan hij zich nu kon voorstellen.