Mag een verdachte die zwijgt straks aan de hersenscan?

Gerben Meynen, hoogleraar forensische psychiatrie

Neurowetenschap sluipt de dagelijkse praktijk van het strafrecht in. Gerben Meynen ziet vooral toekomst voor de hersenscan.

Gerben Meynen
Gerben Meynen Foto Ed van Rijswijk

Boor een gat in de schedel en sluit de elektroden vanuit een apparaatje onder het sleutelbeen aan op het brein. Diepe hersenstimulatie, met kleine stroomstootjes, gebruiken artsen al bij patiënten met epilepsie, parkinson, dwangstoornissen. Maar stel, je past het toe bij veroordeelde zedendelinquenten. Zou de techniek hun libido kunnen remmen? En zou de samenleving dat moeten willen?

Het is ‘neurosciencefiction’ – niemand heeft het ooit geprobeerd. Maar we moeten er wél over nadenken, zegt Gerben Meynen. Ontwikkelingen in de hersenwetenschap kunnen snel gaan en leiden tot nieuwe toepassingen, ook in het strafrecht. „En dan wil je er niet door overvallen worden.” Meynen richt zich op neurorecht, een jong vakgebied dat hierover gaat. Deze dinsdag spreekt hij zijn oratie uit als hoogleraar forensische psychiatrie aan het Willem Pompe Instituut van de Universiteit Utrecht.

Hersenonderzoek stemt óók tot nuchterheid, zegt hij er meteen bij. „In de psychiatrie heeft het nog relatief weinig opgeleverd, zeker als je kijkt naar de verwachtingen twintig jaar geleden.” Maar wie verder kijkt, zoals naar het strafrecht, ziet dat toch al heel wat neurowetenschappelijke toepassingen de dagelijkse praktijk zijn ingeslopen.

Neem de bevinding van hersenonderzoek dat het brein op je achttiende nog niet is uitgerijpt. Dat is gebruikt als argument voor de invoering in 2014 van een adolescentenstrafrecht in Nederland, „met mildere straffen”.

En uit ander onderzoek, neurologische tests bij gedetineerden in de ‘Bijlmerbajes’, bleek dat de prikkelarme omgeving van een gevangenis mogelijk leidt tot verminderde zelfcontrole – en de resocialisatie kan bemoeilijken. Dat onderzoek, zegt Meynen, leidde vorig jaar nog tot Kamervragen aan minister Sander Dekker (Rechtsbescherming, VVD). Moeten we hier nader onderzoek naar doen, was de vraag. Zijn antwoord: nee, niet nodig. „Maar je ziet: het raakt soms al de politiek.”

Discussie over vrije wil

Meynen is filosoof en psychiater en het brein fascineert hem: „Het is een orgaan dat weinig prijsgeeft, niet beweegt en toch veel invloed heeft.” Hij promoveerde bij hersenonderzoeker Dick Swaab en deed onderzoek naar het thema vrije wil en psychische stoornissen, dat raakt aan de toerekeningsvatbaarheid van daders. En zo kwam hij uit bij het neurorecht, een vak waar op Amerikaanse en Britse universiteiten al langer aandacht voor is en sinds januari ook in Utrecht wordt aangeboden.

Over de vrije wil is onder neurowetenschappers en filosofen veel discussie. Onderzoek waaruit zou blijken dat voor elke intentie om te handelen éérst een signaal in de hersenen te meten is, een halve seconde ervoor, heeft veel invloed gehad op het denken over de vrije wil. „Je kunt je afvragen: wat is beslissend, de bewuste intentie of de hersenactiviteit? En sommige onderzoekers die van het tweede uitgaan, zeggen: zijn we niet eigenlijk allemáál ontoerekeningsvatbaar?”

En denk dát eens door. Stel, de vrije wil bestaat niet, kun je daders dan nog wel verantwoordelijk stellen voor hun gedrag? En zo nee, waarom zou je dan nog ‘vergelding’ als strafdoel hebben? En zou je het strafrecht dan niet moeten herzien? Dan zou je alle daders eigenlijk alleen nog een tbs-maatregel kunnen opleggen. Of afzonderen, om de maatschappij te beschermen, in quarantaine, zoals patiënten met een gevaarlijke bacterie.

Concreter, zegt Meynen, is het huidige hersenonderzoek naar stoornissen. In het strafrecht geldt dat een rechter een dader pas ontoerekeningsvatbaar kan verklaren als een stoornis is vastgesteld. En zoiets als een ‘hersenkwab voor ontoerekeningsvatbaarheid’ bestaat niet, maar bij het vaststellen van bepaalde stoornissen kunnen hersenscans wel een rol spelen – zoals dementie, een tumor en epilepsie bij verkeersdelicten.

En het gebeurt al: in zeker zeventig Nederlandse rechtszaken tussen 2000 en 2012 speelde neurobiologische informatie een rol bij de vraag of een verdachte toerekeningsvatbaar was. Ook bij de Noorse terrorist Anders Breivik werd in zijn proces om hersenonderzoek verzocht – hij weigerde. En het Pieter Baan Centrum, dat verdachten gedragskundig onderzoekt, laat jaarlijks bij zo’n veertig mensen hersenscans uitvoeren. „Het is al lang geen marginaal fenomeen meer.”

Gedachten lezen

Meynen wijst op een casus die bekend is in het neurorecht. Een 40-jarige leraar kreeg belangstelling voor kinderporno. Het doorlopen van een twaalfstappenplan tegen seksuele verslaving lukte hem niet – hij bleef avances maken – en de rechter stuurde hem naar de gevangenis. Hij kreeg hoofdpijn en een MRI-scan vond een hersentumor. Na verwijdering kon de man wél het stappenplan doorlopen. Later kreeg hij opnieuw hoofdpijn, en ging hij weer kinderporno verzamelen. De tumor bleek weer te zijn gaan groeien en na verwijdering normaliseerde zijn gedrag opnieuw.

„Dichter bij een oorzakelijk verband tussen stoornis en gedrag kun je haast niet komen”, zegt Meynen. „En zelfs dán is nog steeds de vraag: wat betekent dit voor de verantwoordelijkheid, de schuldvraag? Kon hij zijn handelingen niet tegenhouden, of wílde hij het niet?”

Sinds de ontdekking van P300, een elektrisch pulsje in de hersenen, is nóg een toepassing denkbaar: gedachten lezen. „P300 is meetbaar in het brein als iemand iets bijzonder relevant vindt, bijvoorbeeld vanwege herkenning. De foto van je hond, je geliefde. Maar mogelijk ook die van een mes of een sporttas, gevonden op de plaats delict.”

Stel, je toont een verdachte vijf foto’s van messen en bij één foto detecteer je P300. En bij één van de vijf sporttassen óók. „Zou je op die manier daderkennis kunnen achterhalen?” Maar het roept óók vragen op. Mag je tegen iemand zeggen: ‘Oké, u beroept zich op uw zwijgrecht, dan zetten we u aan de scanner.’ Een verdachte is volgens de wet niet verplicht mee te werken aan zijn eigen veroordeling. „Dus je kunt zeggen: nee, ongepast. Maar hoe verhoudt zo’n hersenscan zich dan tot de afname van DNA, dat in sommige gevallen al wél verplicht kan worden afgenomen?”

Meynen ziet vooral toekomst voor de hersenscan als extra hulpmiddel in het strafrecht, náást de bestaande methoden. Zoals bij de risicotaxatie van delinquenten, waar de huidige manieren – psychologische, psychiatrische onderzoeken, algoritmes – de kans op recidive nog altijd maar matig voorspellen. En uit Zweeds onderzoek blijkt dat hersenscans de taxatie kunnen verbeteren. Maar hij benadrukt ook de gevaren als breinonderzoek de „diepste zielenroerselen” van de mens zou blootleggen. Of, zoals met diepe hersenstimulatie, zou áánpassen. Over de implicatie, vindt hij, moet je goed nadenken. Niet te vroeg, maar ook niet als de toepassing al bestaat. „Dan is het te laat.”