Nederland niet aantrekkelijk voor farmaceuten en biotech

Vestigingsklimaat Door gebrek aan financiering en een duidelijk verhaal vestigen farmaceuten zich hier niet, volgens KPMG.

Nederland is niet zo aantrekkelijk voor farmaceuten en biotechbedrijven als vergelijkbare Europese landen.
Nederland is niet zo aantrekkelijk voor farmaceuten en biotechbedrijven als vergelijkbare Europese landen. Illustratie Rik van Schagen

Officieel is Life Sciences & Health een van ’s lands ‘topsectoren’, en volgens het ministerie van Economische Zaken „wereldwijd toonaangevend”. Maar wie beter kijkt, ziet iets anders. Nederland is niet zo aantrekkelijk voor farmaceuten en biotechbedrijven als vergelijkbare Europese landen, schrijft adviesfirma KPMG in een rapport dat deze woensdag verschijnt.

Er zijn in Nederland 571 biotechbedrijven, 114 bedrijven in de medische technologie (‘medtech’) en 41 farmaceuten. De sector groeit jaarlijks met ongeveer 4 procent. Het gaat om 0,7 procent van het bruto nationaal product, schrijft KPMG. Dat is inclusief Philips, het almaar groeiende miljardenbedrijf in medische technologie. Wat opvalt: in Nederland zijn geen hoofdkantoren van grote internationale biotechbedrijven of farmaceuten.

Het Belgisch-Nederlandse Galapagos is wel een Nederlands succesverhaal, maar het hoofdkantoor staat in Mechelen.

In Zwitserland is de sector goed voor 4 procent van het bruto nationaal product. Dat komt vooral door de aanwezigheid van Novartis en Roche, grote farmaceuten die weer andere bedrijvigheid aantrekken. In het rapport wordt Nederland ook vergeleken met België, dat eveneens een sterke farmaceutische traditie heeft door Janssen Pharmaceutica. „Maar we hadden ook Zweden kunnen kiezen, waar AstraZeneca actief is”, zegt Camal Handor, partner bij KPMG. „Of Denemarken.”

Wat kan er dan beter in Nederland? Allereerst: commerciële investeringen zijn voor farmaceuten en biotechspelers belangrijk. „De bereidheid tot risico van Nederlandse durfinvesteerders is relatief laag vergeleken met die in andere landen, zeker de Verenigde Staten”, zegt David Ikkersheim, ook partner bij KPMG en medeauteur van het rapport. Dertien grote Nederlandse private-equitybedrijven investeren jaarlijks gemiddeld 134 miljoen euro in de sector.

Vaak zijn stevige bedragen nodig. In gevorderde stadia van medicijnonderzoek kan dat oplopen tot 50 miljoen euro. „Zo’n bedrag wordt hier niet snel geïnvesteerd”, zegt Ikkersheim. „Bedrijven vinden het riskant al het geld in één onderneming te stoppen.”

Volgens de onderzoekers blijft een sneeuwbaleffect daardoor uit. „Als private-equitypartijen een paar investeringen doen in deze sector, bouwen ze kennis op. Dan snappen ze bijvoorbeeld van haver tot gort hoe de TNF-alfamarkt [tegen ontstekingsziekten] werkt. Zo kunnen ze beter de risico’s inschatten.”

In latere stadia van medicijnonderzoek wordt vaak geld opgehaald via fusies, overnames of beursgangen. Gemiddeld halen beursgenoteerde Europese biotechbedrijven zes keer zoveel op via de Amerikaanse Nasdaq dan op Europese beurzen, schrijven de onderzoekers. Vorig jaar ging maar een handvol biotechbedrijven naar een Europese beurs, tegenover zestig in de VS. Wie eenmaal in de VS geregistreerd staat, richt zich meer op dat land. Zoals Uniqure uit Amsterdam, dat in 2014 naar de Amerikaanse beurs ging en daarna ook een deel van zijn onderzoek en ontwikkeling verhuisde.

Ook op het gebied van promotie kan Nederland het beter doen. Verschillende streken proberen zich aantrekkelijk te maken voor de farmasector: Utrecht Science Park, Pivot Park Oss en Bio Science Park Leiden. „Ze zijn allemaal goed bezig, maar soms pleiten ze te veel voor hun eigen hub”, zegt Ikkersheim. Dat geldt ook voor het beleid van negen provinciale fondsen, met een totaalbudget van honderden miljoenen. Voorwaarde voor financiering is bijna altijd dat een bedrijf en soms ook de leveranciers in de provincie gevestigd zijn. „Dat is wel heel erg lokaal”, zegt Ikkersheim. „Het gaat om multinationals die moeten kiezen uit Londen, New Jersey, Zürich of Oss. We presenteren ons niet genoeg als land met 17 miljoen inwoners.”

Doe-maar-normaalmentaliteit

Wat Nederland wel helpt: op een relatief klein oppervlak zijn acht academische centra en 26 topklinische ziekenhuizen, die naast basiszorg ook complexe zorg bieden. Maar, stelt KPMG, er is te weinig ondernemerschap bij academici. Ideeën voor nieuwe medicijnen ontstaan vaak bij universitaire medische centra, bijvoorbeeld tijdens promotieonderzoek. „De doe-maar-normaalmentaliteit zit ons een beetje in de weg”, zegt Handor. „We zouden er baat bij hebben om meer academici te ondersteunen bij de stap naar ondernemen.”

Dat daar behoefte aan is, blijkt uit het bestaan van het bedrijf NLC, dat zich een healthtech venture builder noemt. Reden voor oprichting is, volgens zijn eigen site, dat „ten minste 95 procent van de gezondheidstech-uitvindingen” de maatschappij nooit bereikt, „ongeacht de briljantie en relevantie”. „NLC verstrekt geen geld, maar mensen”, zegt Ikkersheim. „Een arts heeft een goed idee, zij leveren een bestuursvoorzitter met ervaring.”

Nieuwe obstakels

Hoewel de komst van het Europees geneesmiddelenbureau EMA helpt om Nederland aantrekkelijker te maken, zijn er in de toekomst nieuwe obstakels. Zo richten farmaceuten zich steeds meer op data-onderzoek om de werking van hun medicijn in de praktijk te bewijzen of te voorspellen. De onderzoekers wijzen op Zweden, dat veel data geanonimiseerd heeft samengevoegd en daarmee interessant is voor onderzoek. Ikkersheim: „De data in ons land zijn erg versnipperd, ondergebracht bij allerlei verschillende partijen.”

Een ander aandachtspunt voor de toekomst zijn strenge milieuregels over gentherapie, een snel groeiende tak binnen de farmacie. Gentherapie gaat over het repareren van een fout in het dna met nieuw genetisch materiaal, vaak met genetisch gemanipuleerde virussen. In Nederland is er een strenge milieutoets omdat zulke virussen in potentie in het milieu terecht kunnen komen. Het bedrijf Orca Therapeutics uit Nijmegen, dat gentherapie ontwikkelt tegen prostaatkanker, liet deze zomer weten naar Canada uit te wijken voor belangrijk medisch onderzoek. „We zijn er in Nederland huiverig voor, en terecht”, zegt Handor „maar tegelijk is het een tak van sport die heel erg de toekomst heeft.”