Levert ‘de menselijke maat’ in bankieren genoeg op?

Privatisering De Volksbank blijft nog in staatshanden. De minister acht de ‘maatschappelijke’ bank nog niet sterk genoeg om zelfstandig te opereren. Wat vindt de Tweede Kamer van het besluit?

Het hoofdkantoor van de Volksbank in Utrecht. De bank wordt voorlopig niet geprivatiseerd.
Het hoofdkantoor van de Volksbank in Utrecht. De bank wordt voorlopig niet geprivatiseerd. Foto Koen van Weel/ANP

De Volksbank blijft voorlopig nog van het ‘volk’. Minister van Financiën Wopke Hoekstra (CDA) maakte dinsdag bekend dat het concern achter SNS Bank, ASN, Regiobank en hypotheekverstrekker BLG voorlopig nog niet wordt geprivatiseerd.

Volgens Hoekstra is de bank (268 mln euro winst, rond 8 procent rendement) nog niet sterk genoeg. „In elk toekomstscenario dient de bank voldoende wendbaar, weerbaar en schokbestendig te zijn, zodat de bank, ook ten tijde van crises, zonder nieuwe steun van de overheid zichzelf kan financieren.”

Sinds de redding van bank-verzekeraar SNS Reaal in 2013 en het losknippen van de verzekeringstak van het bankdeel, concentreerde de Volksbank zich op nutsbankieren: het bieden van de basisdiensten bankieren, sparen en hypotheken verstrekken. De Volksbank belooft dat met de ‘menselijke maat’ te doen. De bank wil niet alleen rendement voor aandeelhouders, maar ook voor werknemers, maatschappij en klanten.

Dat sluit aan bij wat de Tweede Kamer wil. Die nam afgelopen jaren moties aan om het nutskarakter van de Volksbank te behouden, om te waarborgen dat het ‘maatschappelijke coöperatieve’ karakter van de bank behouden blijft en zelfs om te onderzoeken of de bank niet gewoon in staatshanden kan blijven. Dat laatste wijst Hoekstra van de hand: de Volksbank moet op termijn losgeknipt worden van de overheid, zoals ook in het regeerakkoord staat.

Wel wil hij onderzoeken of het maatschappelijke karakter van de bank beter verankerd kan worden. Bijvoorbeeld door andere partijen dan aandeelhouders, zoals een klantraad, door stemrecht te verlenen, of door een beschermingsconstructie op te tuigen zodat na een beursgang aandeelhouders niet alsnog om maximaal rendement kunnen vragen.

Verdienmodel onder druk

De minister schrijft in een brief aan de Tweede Kamer dat de Volksbank de komende periode de kosten omlaag moet brengen en op zoek moet naar andere inkomsten, om zo aantrekkelijker te worden voor potentiële investeerders. De vraag is hoe een ‘maatschappelijke’ bank als de Volksbank nog genoeg geld kan verdienen.

Belangrijk probleem is de lage rente en de verwachting dat die situatie nog wel even zo blijft. Het klassieke verdienmodel van consumentenbanken – rente geven op spaargeld, rente vragen op hypotheekleningen, en op het verschil verdienen – staat hierdoor onder druk. De Volksbank heeft daar extra last van, omdat het relatief veel spaargeld bergt en veel hypotheken verstrekt, en weinig andere activiteiten heeft.

Een optie zou zijn om consumenten een negatieve rente te gaan rekenen op hun spaargeld, zodat de marge tussen spaar- en hypotheekrentes weer ‘normaal’ wordt. Maar geen enkele bank in Nederland heeft dat tot nu toe aangedurfd. In klantpanels wordt zeer negatief gereageerd op zo’n ingreep; de Consumentenbond pleitte dinsdag voor een verbod op negatieve rentes.

Lees ook: Wie wil er nog betalen voor een veilige publieke bank?

Wat is dan wel mogelijk? Harald Benink, hoogleraar banken aan Tilburg University, ziet als optie dat de Volksbank meer gaat vragen voor betaalrekeningen. Ten opzichte van het buitenland is een bankrekening in Nederland relatief goedkoop. Benink denkt verder aan het aanbieden van autofinanciering of leningen aan midden- en kleinbedrijf. „Dat is risicovoller, maar je krijgt ook een hogere risicopremie.”

Hoogleraar financiële markten Arnoud Boot (UvA), met wie Benink vorig jaar een opinieartikel schreef over de toekomst van de Volksbank waarschuwt: „Je moet oppassen dat je met de druk om meer te verdienen, er niet voor zorgt dat banken juist weer meer risicovolle producten gaan verkopen. Daar wilden we juist vanaf.” Wellicht dat een aandeelhouder te vinden is die met minder rendement genoegen neemt, zegt Benink. „Eentje met een langetermijnvisie die 6-7 procent rendement prima vindt.”