Opinie

Het gegijzelde debat door identiteitsdenken

Lotfi El Hamidi

‘Wij willen deze kinderen niet terug”, reageerde VVD-Kamerlid Dilan Yesilgöz op de uitspraak van de rechter, die vonniste dat de Nederlandse staat zich dient in te spannen voor het terughalen van IS-kinderen. Yesilgöz kreeg vervolgens op sociale media een hoop bagger over zich heen, met verwijzingen naar haar vluchtelingenachtergrond. Uitgerekend zij zou zich wat meer moeten inspannen om de meest kwetsbare mensen te repatriëren, klonk het.

Mag Yesilgöz vanwege haar achtergrond geen eigen mening hebben over bepaalde thema’s, zoals asiel en mensenrechten? Onzin natuurlijk, Yesilgöz heeft het recht net zo harteloos te zijn als haar VVD-collega’s zonder vluchtverleden.

Het identiteitsdenken is in het publieke debat nooit ver weg. Vaak wordt dat antiracisme-activisten verweten, die zouden het debat onmogelijk maken door andere (lees: witte) mensen te diskwalificeren vanwege hun huidskleur. Niet alleen de argumenten maar ook de subjectieve ervaringen wegen mee, is het idee. En sommigen maken het soms inderdaad makkelijk om de bal terug te kaatsen, want de onvermijdelijke consequentie is dat een zwart persoon dus ook niet veel kan zeggen over mensen met een andere huidskleur of achtergrond.

Identiteitsdenken wordt vaak voor ‘links’ aangezien, maar ook de ‘rechterkant’ bezondigt zich eraan. In Trouw las ik een interview met de Franse feministe Fatiha Agag-Boudjahlat, die fel van leer trekt tegen de hoofddoek. Terecht stelt ze dat ‘witte’ islamcritici door tegenstanders bij voorbaat al weggezet worden als mensen zonder verstand van zaken. Maar „bij mij werkt die truc niet”, zo zegt ze. Waarna ze, wellicht onbewust, ook haar achtergrond als extra gewicht inzet om generaliserende uitspraken te doen over hoofddoekdragende vrouwen en feministen die daar anders over denken. Zij komt immers uit de Arabische cultuur en dus mag en kan zij het zeggen.

En dat kan en mag zeker, en de persoonlijke levenservaringen en inzichten moeten serieus genomen worden. Maar zodra die gepolitiseerd of ideologisch ingezet worden, dan worden ze ook onderdeel van een polemisch debat. En mogen die subjectieve ervaringen dus ter discussie gesteld worden.

Zo is het heel begrijpelijk dat mensen die een streng islamitisch land zijn ontvlucht hier een antireligieuze houding aannemen. Maar wanneer de grondslag is: mijn ervaring en perceptie wegen zwaarder dan die van iemand die nog gelooft of voor godsdienstvrijheid is, dan is dat geen debat meer te noemen. Dan heet dat morele chantage.

We positioneren ons allemaal met een bepaalde identiteit, maar dat geeft niemand meer gezag in een debat. Juist in een pluriforme samenleving als de onze moet er ruimte zijn om af te wijken van het tribale identiteitsdenken. Dat zal het debat alleen maar ten goede komen.

Lotfi El Hamidi (L.elHamidi@nrc.nl @Lotfi_Hamid) schrijft op deze plek een wisselcolumn met Tom-Jan Meeus.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.