Recensie

Recensie Film

Het autoracen zelf is wat saai in ‘Le Mans ’66’

Racefilm Meer nog dan een racefilm gaat ‘Le Mans ’66’ over coureur Ken Miles, die niet tegen gezag kan maar moet leren een teamspeler te zijn.

Christian Bale en Matt Damon in ‘Le Mans ’66’.
Christian Bale en Matt Damon in ‘Le Mans ’66’. Foto Merrick Morton

Le Mans ’66 is een nostalgische film die Amerika in retrospectief weer trots laat zijn op zijn automobielindustrie. De op feiten gebaseerde racefilm gaat, zoals de originele titel Ford v Ferrari aangeeft, over de competitie tussen het Amerikaanse automerk Ford en de Italiaanse fabrikant Ferrari. Om zijn wat suffe imago op te krikken wil Ford de hegemonie van Ferrari doorbreken op het beroemde Franse racecircuit van Le Mans.

In 1959 wint de Amerikaan Carroll Shelby (Matt Damon) de 24-uursrace van Le Mans. Om gezondheidsredenen moet hij daarna zijn carrière als autocoureur afsluiten. Shelby blijft echter werkzaam in de autosportwereld, als ontwerper van snelle bolides. Hij wordt door Ford gevraagd een raceauto te ontwerpen die Ferrari kan verslaan in Le Mans.

Le Mans ’66 gaat over de periode in aanloop naar de race van 1966, waarbij Shelby graag gebruikmaakt van de stuurmanskunst en technische kennis van de man met wie hij in de Tweede Wereldoorlog diende, de temperamentvolle Brit Ken Miles (Christian Bale). Damon is zijn gebruikelijke charmante zelf, Bale maakt van zijn rol een workshop acteren. Zijn maniertjes én onnavolgbare Britse accent gaan wel licht irriteren.

Meer nog dan een racefilm gaat Le Mans ’66 over coureur Miles, een impulsieve, moeilijke man die niet tegen gezag kan – de bemoeizuchtige ‘suits’ van de Ford Motor Company – maar desondanks moet leren een teamspeler te zijn. Offert hij zijn individualiteit op? Als zodanig doet hij een beetje aan Max Verstappen denken, de Nederlandse racer die ook geen blad voor de mond neemt maar van wie wel gehoorzaamheid verwacht wordt als de stalorders erom vragen.

De camaraderie tussen Shelby en Miles is het overtuigendste aspect van Le Mans ’66, met een dynamiek die aan een huwelijk doet denken: veel grappen en grollen, voor- en tegenspoed, met altijd die typische vertrouwdheid van stellen die lang bij elkaar zijn. Tegen deze male bonding kan de rest van de film niet op. Meermalen terugkerende close-ups van diep ingetrapte gaspedalen, snel schakelende handen en de trillende wijzers van een kilometerteller zijn bedoeld om de tweeënhalf uur durende film wat opwinding te geven. Deze en andere filmische trucjes kunnen echter niet voorkomen dat de racesequenties vrij saai zijn.