Heen en terug naar de Middeleeuwen

Vanuit Princeton, New Jersey, schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: het verleden als een onbekend land dat wijze lessen te bieden heeft.
Illustratie Eliane Gerrits

Een jaargenoot Nederlandse taal- en letterkunde attendeerde me op het overlijden van een van onze favoriete hoogleraren, de eminente mediëvist Wim Gerritsen. Ik herinner me nog, schrijft hij, dat Gerritsen zijn eerste hoorcollege begon met de vraag: „Kunt u mij een probleem noemen waarvan u denkt dat het in de Middeleeuwen niet al speelde?”

Ik zie professor Gerritsen nog staan, in die overvolle kamer op de Emmalaan in Utrecht waar eerstejaars bijeengepakt zaten. Ter plekke werd ik gegrepen door de Middeleeuwen, die allesbehalve saai bleken.

Precies op het moment dat ik het bericht ontvang, luister ik naar de jonge mediëvist Cord Whitaker die in Princeton een lezing geeft over zijn boek Black Metaphors: How Modern Racism Emerged from Medieval Race-Thinking. Whitaker is zwart en Amerikaan, en kijkt daarom naar de Europese Middeleeuwen met een ‘gekleurde’ blik.

De Middeleeuwen zijn helemaal terug, en niet alleen met de intriges en het wapengekletter van de tv-serie Game of Thrones. Na 9/11 spraken politici over een kruistocht tegen de islam en gingen ze de westerse idealen ‘te vuur en te zwaard’ verdedigen. Neonazi- en alt-rightkringen verheerlijken deze premoderne periode, vóór de komst van globalisering en de kritische geest van de Verlichting. Toen was de wereld nog klein, begrijpelijk en vooral wit. Van adel tot lijfeigenen, men kende zijn plaats in de samenleving en had daar vrede mee. Ridders verdedigden de eer van hun jonkvrouwen en niemand had nog van #metoo gehoord.

Geëmotioneerd vertelt Whitaker over de racistische betogingen in Charlottesville, waar tegenactivist Heather Heyer de dood vond. De rechts-extremisten droegen vaandels en schilden uit de riddertijd, waarop de zwarte adelaar van het Heilige Roomse Rijk was afgebeeld. Hij kan niet nalaten op te merken dat de keizerlijke patroonheilige Sint-Mauritius een Afrikaan was.

Maar, zegt Whitaker, al deze beelden van de Middeleeuwen als een roomblanke ideale samenleving zijn „retorische luchtspiegelingen”. Die tijd was complexer en minder homogeen dan men denkt. Sterker, het moderne racisme vindt daar zijn wortels. Donkere medemensen – ze waren er wel degelijk – werden consequent afgeschilderd als inferieur en kwaadaardig. Zwart was de kleur van duivels en demonen. In de Middelnederlandse Roman van Moriaen wordt van de zwarte ridder gezegd „al was hi swart wat scaedde dat?”, zo leer ik van Frits van Oostrom, ooit assistent van Gerritsen.

Ten slotte leest Whitaker in vloeiend Middelengels voor uit een populair veertiende-eeuws reisverhaal, Het boek van John Mandeville. De onbekende auteur beschrijft een reiziger die na vele omzwervingen terechtkomt in een land waar mensen tot zijn verbazing zijn eigen taal spreken. „Enviround the world be many seisons, that he fond an yle where he herde speke his owne langage.” Hij is letterlijk de wereld rondgegaan, maar herkent zijn eigen land niet meer en maakt rechtsomkeert. Niet zijn land, maar hijzelf was veranderd.

Het verleden is ook een onbekend land. Als we bereid zijn naar de Middeleeuwen af te reizen en ze los van alle luchtspiegelingen te zien, kantelt ons zelfbeeld. Dat had professor Gerritsen destijds al goed gezien.

Reacties naar pdejong@ias.edu.