Opinie

Geen zin om te luisteren

Frits Abrahams

Het was geen geruststellend weekend voor het Zwarte Piet-debat. Voor mij begon het al op vrijdagavond in het zaaltje van Spui25 in Amsterdam.

„Laten we het gezellig houden” was het motto van een bijeenkomst over „de strijd over racisme en Nederlandse identiteit via het Zwarte Piet-debat.” Ogenschijnlijk was het geen onvriendelijk debat tussen een politicoloog (Heleen Schols), enkele op dit gebied deskundige ambtenaren (Augusto de Campos Neto en Riccardo Osterwald) en de antiracismeactivist Kunta Rincho, tevens medeoprichter van Kick Out Zwarte Piet.

Er werd beleefd gediscussieerd met Rincho, die ook vanuit het publiek keurige vragen kreeg en op zeker moment zelfs een applausje oogstte. Toch was het dezelfde Rincho die tegen het einde alsnog de deken van mildheid wegtrok en de toehoorders met een wrange boodschap naar huis stuurde.

„Ik zit niet vaak meer aan tafels met witte mensen”, vertelde Rincho, „het kost me te veel energie. Racisme raakt je persoonlijk, maar als we het bespreekbaar maken, zegt men: ‘Waarom ben je zo emotioneel?’ Ze beoordelen je op hóé je het zegt, wát je zegt wordt gediskwalificeerd. Je moet naar ze luisteren, maar ik heb daar geen zin meer in.”

Desondanks vroeg de gespreksleider, Fenneke Wekker, hem later toch of er niet een dialoog op gang moest komen. Rincho zuchtte demonstratief diep en zei: „Weet je, ik denk dat het belangrijk is voor witte mensen om te luisteren … Dat ze weten dat hun kinderen vergiftigd worden met racistische ideeën … Dan zullen we het gesprek anders voeren.”

Kortom, eerst de monoloog van de zwarte mensen, dan – mits ze goed geluisterd hebben – de dialoog met de witte mensen.

Eerder had Rincho gezegd dat hij niets voelt voor de roetveegpiet („faliekante onzin”) en dat hij destijds burgemeester Eberhard van der Laan en vicepremier Lodewijk Asscher had ervaren als bestuurders „die het racisme in stand houden”. Hij kreeg nauwelijks tegenspraak, want het moest, indachtig het motto van de avond, wel een beetje gezellig blijven.

’s Avonds thuis kwam de tweede douche, die nog veel kouder uitviel: het nieuws dat crapuul, ongetwijfeld witgekleurd, in Den Haag een bijeenkomst van Kick Out Zwarte Piet gewelddadig had verstoord. Vernielde ruiten, poging tot brandstichting – zó gezellig kan het worden op een Haagse uitgaansavond.

Zo komen al die brave, verzoeningsgezinde voorstanders van de roetveegpiet tussen twee vuren te staan: enerzijds de zwarte activisten, anderzijds de witte bestrijders daarvan. Met de niet onbelangrijke kanttekening dat de eerste groep tot dusver geen geweld heeft gepredikt, laat staan gebruikt.

Wat in Den Haag gebeurde, doet denken aan Italiaanse toestanden. Daar ontstaan in voetbalstadions onvoorstelbare taferelen. Een zwarte voetballer, Mario Balotelli van Brescia, wordt met apengeluiden uitgejouwd door het publiek van Hellas Verona en wil woedend het veld uitlopen. In plaats van met hem mee te lopen, halen zijn medespelers hem over om te blijven. Enkele dagen later laat de harde kern van de aanhang van nota bene zijn eigen club Balotelli weten dat hij zich niet zo moet aanstellen en dat men de supporters van Hellas Verona steunt.

Als zwart niet wil luisteren naar wit, en wit niet naar zwart, hoe kan het dan ooit grijs worden?