Opinie

Denken helpt niet, oorlog is oorlog

Marjoleine de Vos

Waarom zouden we eigenlijk nog Homerus lezen? Die vraag werd me ineens gesteld op een symposium van classici die zich bogen over de toekomst van het vertalen. Ik mompelde iets over waarheid, dat je altijd het idee hebt dat je, als je teksten leest van meer dan tweeduizend jaar geleden waarin de essentiële dingen zo gezegd en gevoeld worden dat je ze begrijpt en herkent, het gevoel hebt op iets eeuwigs te stuiten, op oude en onveranderlijke waarheden. En dat zo’n tekst beelden aanreikt voor wat diep in ons leeft, het verlangen naar huis, het leven als een reis, de mogelijkheid om met de doden te spreken in de Odyssee; de angstaanjagende schoonheid van de oorlog die met hardheid en tegelijkertijd met ontzetting tegemoet getreden wordt in de Ilias.

Men hoort zichzelf praten en vraagt zich af: is deze waarheid wel waar? Leeft het allemaal nog wel? Doen die beelden er nog toe?

Een paar dagen later zat ik in de schouwburg en daar stonden ze, vier grote figuren uit de Ilias: Agamemnon, de legeraanvoerder, Achilles, het machtigste wapen van de Grieken, zijn vriend Patroklos en de slimme Odysseus die dolgraag naar huis zou willen. Ze voeren oorlog, en het gaat er ruig aan toe. Dat maakt de mannen niet uit. Tot ze beginnen te denken. Hun gedachten heten: Helena.

De voorstelling was van Konvooi, vijf jonge acteurs die onder de paraplu van Orkater een sterk ingedikte versie van de Ilias gemaakt hebben. Het is huiveringwekkend, al dat doden, al die mensen die eraan gaan, eraan moeten gaan, omdat ze – waarom eigenlijk, vraagt Achilles zich ineens af. Zijn beroemde weigering om nog langer mee te vechten nadat de legerleider hem zijn liefje heeft afgepakt – vrouwen hebben in die wereld niets in te brengen – is hier ook een vorm van inkeer. Maar denken helpt niet, oorlog is oorlog, je kunt er maar het beste in geloven, er is toch niets aan te doen, de oorlog is niet te stoppen, niet door hen.

En zo is het ook. Al kijkend denk je aan al die oorlogen die intussen gevoerd worden, aan de huiveringwekkende foto’s van de fotograaf Ali Arkady die de afgrijselijke mishandelingen liet zien waaraan het Iraakse leger gevangenen onderwerpt – de verdenking IS-sympathisant te zijn is genoeg. Het ergste op zulke foto’s is nog de totale onverschilligheid van de andere mannen in zo’n ruimte, ze zijn met iets anders bezig, het interesseert ze niets dat hier iemand gemarteld wordt.

Dat laat die Ilias van Konvooi ook zien, hoe mannen zo kunnen doen. Homerus bezingt al die gedragingen als mooi en verschrikkelijk tegelijk. „En zijn hoofd boog opzij, zoals een papaverbol in een tuin die zwaar is geworden van zaad en zomerse regen.” Daarvan vraagt ook niemand zich af: heeft het zin?

Achilles vraagt zich dat wel af, tot wanhopens toe. Op een dag vermoordt hij de gedachten die hem laten zien hoe zinloos dit alles is, en dan gaat hij weer. Omdat de oorlog altijd weer begint, ook na tijden van bezinning.

Het is heus niet zo dat we zulke ontwikkelingen tegenhouden door maar veel Homerus te lezen. Het is wel zo dat het indrukwekkend is om die gedachten, begeleid door hartverscheurend gezang, door jonge mannen voor een echt niet-vergrijsd publiek vertolkt te zien.

Ja, laten we zeker Homerus blijven lezen en navertellen en herinterpreteren. Laten we blijven huiveren om de mens, en ons de beelden inprenten: „Hij viel neer in het stof en zijn hand klauwde wild in de aarde.”

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.