Recensie

Recensie Muziek

Bruckners oer-versies klinken gewaagder en scherper dan standaardrepertoire

Klassiek Onder druk van dirigenten bleef componist Anton Bruckner maar schaven aan zijn symfonieën. Op mini-festival Ongehoord Bruckner klonken drie oerversies.

Anton Bruckner
Anton Bruckner

Over de stunteligheden van Anton Bruckner (1824-1896) bestaan vele anekdotes. Neem die keer dat de componist bij de Wiener Philharmoniker kwam dirigeren. Minutenlang stond hij glunderend maar bewegingsloos op de bok. Toen de concertmeester vroeg of hij nog ging beginnen, klonk in een onvervalst Oberösterreichisch accent: „Na u, heren. Na u.” Dat de organist uit Linz niet over de meest autoritaire persoonlijkheid beschikte, blijkt ook uit zijn werk. Op aandringen van dirigenten bleef hij maar schaven aan zijn noten.

Zijn symfonische oeuvre werd tot een labyrint van herzieningen en versies, die weer door verschillende musicologen werden geredigeerd. In de loop der jaren zijn de latere versies tot het standaardrepertoire gaan behoren. Bijzonder dus dat er dit weekend drie oer-Bruckners op de lessenaars stonden in het Muziekgebouw.

Tijdens het openingsconcert van het mini-festival Ongehoord Bruckner zette het Noord Nederlands Orkest (NNO) zich vrijdag aan de oorspronkelijke Fassung (1887) van de Achtste symfonie. Een unicum: afgezien van een radio-opname door het Radio Filharmonisch Orkest uit 1978 werd deze versie niet eerder op Nederlandse bodem gespeeld, vertelt Marcel Mandos, artistiek leider van het orkest.

Wat meteen opviel: de ontbrekende klarinetten in de openingsmaten. Of de buldercoda van het eerste deel, waar de herziene versie uit 1890 eindigt met onheilspellende fluisterstrijkers. Het Scherzo bleek een compleet ander middendeel te hebben. In grote lijnen waren de orkestraties ongepolijster, de harmonische wendingen gewaagder (Adagio), de montages scherper.

Dirigent en Bruckner-kenner Martin Sieghart wist die grilligheden mooi uit te lichten met fel aangezette tegenstellingen in dynamiek en klankkleur. Alsof hij de organist in Bruckner naar voren wilde halen en hem snel van registratie (klankkleur) of manuaal (klavier) liet wisselen. Spannend was de tegenstelling tussen de slotmaten van het Scherzo met grote, stuwende klank en de opening van het Adagio met prachtig omfloerste strijkers.

Jammer dat Siegharts zoektocht naar contrast en expressie soms ten koste ging van precisie: hier een troebele inzet van de hoorns, daar een clubje violen dat achter de houtsectie aanhobbelde. In de openingsmaten van de finale boette het galopritme aan scherpte in door een te enthousiaste paukeninzet. Wat na afloop niettemin bleef hangen: de gedachte dat Bruckners oer-versies vaker op de programma’s mogen staan.