Decennia oud dispuut India beslecht: tempel mag op plek moskee

Hindoetempel Op de plek waar radicale hindoes een vijfhonderd jaar oude moskee neerhaalden, mag een tempel worden gebouwd. De uitspraak van het Indiase Hooggerechtshof is een overwinning voor hindoe-nationalisten van premier Modi.

Indiase veiligheidstroepen patrouilleren op zaterdag in Ayodhya.
Indiase veiligheidstroepen patrouilleren op zaterdag in Ayodhya. Foto SANJAY KANOJIA / AFP

Kort voor de ontknoping van een dispuut dat hindoes en moslims in India al decennia verdeelt en dat gepaard ging met de meest bloedige rellen sinds de onafhankelijkheid, zei premier Narendra Modi dat wat het Hooggerechtshof ook mocht besluiten „het voor niemand een overwinning of nederlaag zal zijn”.

Maar het unanieme besluit van ’s lands hoogste rechters, deze zaterdag, om een stuk grond in de heilige stad Ayodhya toe te kennen voor de bouw van een hindoetempel, is wel degelijk een overwinning. Het is een overwinning voor de rechtse hindoemilitanten die op 6 december 1992 op precies diezelfde plek een vijfhonderd jaar oude moskee neerhaalden.

En het is een overwinning voor de hindoe-nationalistische Bharatiya Janata Partij (BJP) van Modi, voor wie het ijveren voor een tempel het platform was waarop zij naar de macht steeg.

De uitspraak is historisch. Niet alleen omdat hiermee (waarschijnlijk) een einde komt aan een juridisch geschil dat teruggaat tot de tijd van de Britse Raj. Het schept mogelijk ook een precedent: Ayodhya is niet de enige plek waarvan rechtse hindoegroepen claimen dat er een moskee is gebouwd op grond die zij als heilig beschouwen.

Angst voor geweld

In de dagen voorafgaand aan de uitspraak werden duizenden extra manschappen naar Ayodhya gedirigeerd, werden scholen gesloten en demonstraties verboden. Ook elders in het land werden extra maatregelen getroffen. Zoals in Mumbai, waar in de nasleep van de moskeeverwoesting rellen uitbraken die aan zo’n negenhonderd mensen het leven kostten.

De Sunni Waqf Board, de partij die namens de moslims bij het hof had gepleit, zei zaterdag dat ze „niet tevreden” is met het vonnis. Moslims krijgen van de rechters wel een stuk grond toegekend voor de bouw van een nieuwe moskee – maar dan elders in Ayodhya. Toch riep de Sunni Waqf Board mensen op kalm te blijven en vooral niet te gaan demonstreren.

De angst voor nieuw geweld zit diep. Die was voelbaar toen NRC vorig jaar Ayodhya bezocht. Het was 6 december, de dag waarop radicalen 26 jaar eerder de koepels van de Babri Masjid beklommen en die met hamers kapotsloegen. De straten waren dit keer grotendeels verlaten, op patrouillerende agenten en paramilitairen na.

„Het enige wat wij willen is vrede”, vertelt Ansar Ahmed (39) dan, de vermoeidheid zwaar in zijn stem. Hij zit op een plastic stoel, met naast hem zijn grijzende moeder van 76 op een charpoi. En daarachter een kleine moskee met lavendelkleurige minaretten. Die is relatief nieuw, zegt Ahmed. De oude ging die bewuste decemberdag in vlammen op. Net als hun huis, en het huis van hun buren. En die van nog meer buren. Moslims, allemaal.

Moslimheerschappij uitgewist

De Babri Masjid met zijn ooit spierwitte koepels stamt uit de zestiende eeuw, toen de islamitische Mogols India regeerden. Zij bouwden duizenden moskeeën en forten in het noorden van het subcontinent, waaronder ook de beroemde Taj Mahal. Voor rechtse hindoes is het een periode die zij het liefst willen vergeten, uitwissen – en dat waar mogelijk ook doen.

Het neerhalen van de moskee had dan ook niet enkel te maken met het feit dat hindoes geloven dat precies op die plek de god Ram werd geboren en een tempel voor hem stond. Hier werd óók een symbool verwoest van hun onderdrukking door moslimheersers. Het is een boodschap die met de BJP haar weg heeft gevonden naar de landelijke politiek.

Onder haar leiding zijn geschiedenisboeken herschreven en steden met een islamitische naam omgedoopt. Vooral in de noordelijke deelstaat Uttar Pradesh, waar sinds 2017 de radicale hindoemonnik Yogi Adityanath premier is. Zo heet het district Faizabad, waaronder Ayodhya valt, sinds vorig jaar (ook) Ayodhya.

De stad zelf, met zijn pastelkleurige huizen en sadhu’s, heiligmannen die door de straten wandelen, is van oudsher een plek waar hindoes en moslims grotendeels vreedzaam met elkaar samenleefden. Spanningen rondom de moskee waren er wel. In 1949 liepen die hoog op, toen op een nacht ‘plots’ een beeld van een baby-Ram in de moskee verscheen.

Devote hindoes beschouwden het als een wonder – al was daar in de praktijk weinig wonderlijks aan. Vraag maar aan de witbebaarde Satyendra Das. Het beeldje werd in de moskee geplaatst, onder anderen door de priester die Das later als discipel zou gaan volgen.

Gezeten op zijn bed in een kamertje waar een poster van Ram een volledige muur bedekt, praat Das niet over een moskee maar over een „gecontroleerde structuur” waarin het beeldje door zijn goeroe was gezet. Dat zijn goeroe daarbinnen samen men enkele anderen een klein hindoealtaar maakte, is volgens hem niet meer dan logisch. Ram was hier immers geboren.

Om onrust te voorkomen, besloten de autoriteiten dat zowel moslims als hindoes de moskee niet meer mochten betreden. Alleen de priesters van de sekte van Das kregen nog toegang: de beeltenis was immers een god die moest worden verzorgd. De inmiddels 75-jarige Das, zijn lange haar zo wit als zijn baard, doet dat persoonlijk sinds 1992.

Hij was degene die het beeldje die dag uit de puinhopen had gered en in veiligheid bracht, vertelt de priester niet zonder trots. Over de gebeurtenis zelf is hij, net als veel hindoes in het land, minder te spreken. „Ik was bang”, zegt Das. „Het voelde als een invasie door buitenlandse troepen. Overal waren mensen.”

Voor de priester had de „gecontroleerde structuur” niet neergehaald hoeven te worden. In ieder geval niet met de jonge Ram nog binnen. „Ongepast”, noemt Das het.

Doolhof

Op de resten van de moskee verrees een canvastent waarin de beeltenis sindsdien staat, omgeven door oranje en gele goudsbloemen die er dagelijks door Das en zijn discipelen worden neergelegd. Devote hindoes die een glimp van hun god willen zien, moeten eerst door een doolhof van controleposten en tralies waarachter zwaarbewapende soldaten zitten.

De rechters van het hof noemden de verwoesting van de moskee in hun vonnis „illegaal”. Dat is belangrijk, aangezien een aparte rechtszaak hierover nog altijd loopt. L.K. Advani, medeoprichter van Modi’s BJP, is daarin een van de gedaagden. Onder zijn leiding werd de partij in de jaren tachtig het politieke gezicht van de campagne voor een tempel in Ayodhya.

Dat de tempel tot op heden niet is gebouwd, hoewel de BJP sindsdien meermaals regeerde – en sinds 2014 met een absolute meerderheid – kwam de partij op steeds meer kritiek te staan van de haviken binnen haar achterban. Dat de zaak nog onder de rechter lag, vonden zij geen excuus. Dan maar met een presidentieel decreet.

Dat is niet meer nodig. Met dit vonnis in de hand kan premier Modi opnieuw een belangrijke verkiezingsbelofte nakomen, amper enkele maanden nadat zijn regering hetzelfde deed door de speciale status van Kasjmir te schrappen.

De bouw van de tempel zal worden overzien door een speciale stichting die de regering binnen drie maanden moet vormen. De twee hindoepartijen die in deze zaak allebei het betwiste stuk grond claimden, nemen daarin samen plaats. Waar in Ayodhya de nieuwe moskee moet komen, is ook aan de regering om te bepalen.

‘Wij willen vrede’

De Sunni Waqf Board, de moslimpartij, heeft nog de mogelijkheid een herziening van het vonnis aan te vragen. Zaterdag zei zij zich hierop te zullen beramen.

Als het aan mensen als Ansar Ahmed ligt, laat ze dat vooral na. Wat de metaalbewerker uit Ayodhya betreft, was de Ram-tempel allang gebouwd. „De moslims die om een nieuwe moskee vragen, zijn niet de moslims wier huis is afgebrand.”

Ahmed daarentegen is niet vergeten hoe hij en zijn vader die dag moesten vluchten voor de tienduizenden hindoeradicalen die in Ayodhya waren neergedaald en die kapotsloegen en in brand staken al wat er islamitisch uitzag. Zijn hindoeburen probeerden Ahmeds huis nog te redden door een plaatje van godin Durga aan hun deur te hangen. Ahmed: „Maar anderen hebben ons verraden.”

Sommige moslimfamilies uit de buurt keerden niet meer terug. Ahmed en zijn familie deden dat wel. „Waar moesten we anders naartoe?” Met 3.500 roepies aan compensatie van de regering, nu omgerekend nog geen 50 euro, en donaties van hun hindoeburen bouwden ze hun bestaan weer op. Hen nam hij niets kwalijk. „De daders waren niet van hier.”

En nu is het klaar voor Ahmed. Laat die tempel maar komen. Terwijl zijn moeder naast hem zachtjes knikt, herhaalt hij het nog een keer: „Het enige wat wij willen is vrede.”