Opinie

De euforie van 1989 is uitgewerkt, nu is het tijd voor bezinning

De Berlijnse Muur

Commentaar

Als media een historisch jubileum aangrijpen om terug te blikken wordt dat wel verjaardagsjournalistiek genoemd, een genre dat in een kwaad daglicht staat omdat het riekt naar luiheid en voorspelbaarheid. Hoe onterecht dat stigma kan zijn bleek bij de terugblikken op de val van de Berlijnse Muur, deze zaterdag 30 jaar geleden.

Juist in de terugblik leer je het heden beter zien: de ordening die toen ontstond, staat nu onder druk.

In 1989 is het Europa gevormd zoals we dat nu kennen. De wereld die was ontstaan na de Tweede Wereldoorlog werd vervangen door iets nieuws. Met de ondergang van het Derde Rijk was een nieuwe telling begonnen, er was een wereld van „voor 1945” en een van „na 1945”. Met de val van de Muur werd 1989 tot op zekere hoogte het nieuwe 1945.

‘1989’ markeerde het einde van de Koude Oorlog en was het onomstotelijke faillissement van de éénpartijstaat met planeconomie. Het Westen kraaide victorie. Democratie en vrije markt – dat was de toekomst. De club van vrije staten voelde zich oppermachtig, een zelfvertrouwen dat alleen maar werd aangewakkerd door de stellige wens van voormalige communistische staten om zo snel mogelijk westers te worden. Iedereen wilde een auto, bananen en een wasmachine. Lidmaatschap van NAVO en EU was immens populair: een staat die niet door de ballotage kwam, telde niet mee.

De euforie was groot maar er ging in die dagen meteen van alles mis. De Duitse kanselier Helmut Kohl beloofde de DDR-burgers bijvoorbeeld „bloeiende landschappen”, een belofte die niet in een handomdraai was in te lossen. Bovendien werd van de Oost-Duitsers verwacht dat ze zich zouden aanpassen aan de West-Duitsers. De Duitse eenwording was geen gezamenlijk project, het was éénrichtingverkeer. De Oost-Duitsers gingen zich tweederangsburgers voelen.

West-Europeanen zijn geneigd de Val van de Muur vooral te zien als een vreedzame Duitse revolutie. Maar het was veel meer. De rol van Polen en Hongarije in de aanloop naar het einde van het Oostblok werd in de westerse terugblik vaak vergeten, tot begrijpelijke ergernis van Polen en Hongaren. In de roes vergat het Westen ook dat de overwinnaar altijd grootmoedig moet zijn tegenover de verliezer. Van het nieuwe Rusland werd zomaar verwacht dat het zich zou voegen naar westers model en westerse ideeën over de nieuwe ordening van Europa.

De fouten en de arrogantie leidden tot gemor, maar de bromtoon werd overstemd door het succesverhaal. De EU en de NAVO groeiden, Polen werd een economisch succes en Oost-Duitsland werd in elk geval verlost van de bruinkoolsmog die iedereen op de keel sloeg. Democratie en vrije markt waren twintig jaar een onverslaanbaar duo.

De ongebreidelde vrije markt liep een deuk op in 2008 met de financiële crisis. In dat najaar bleek bij het ontwaken vaak dat de wereld niet meer de wereld was van de vorige avond: mastodonten van het kapitalisme zegen ineen, spaargeld was niet meer veilig, banen stonden op de tocht, wat heet, de hele economie dreigde in een neerwaartse kolk weggezogen te worden. Tegenwoordig wordt in het Westen opvallend vaak getwijfeld over de zegeningen van het kapitalisme.

Democratie leek ook lange tijd een toekomstbestendig groeimodel. Totdat Europese parlementaire stelsels te kampen kregen met populisme en versplintering van het partijenlandschap, het presidentieel stelsel in de VS vastliep in volstrekte polarisatie en de gevierde winnaars van 1989, Polen en Hongarije, de liberale visie onverwachts inruilden voor een hang naar autocratie. Het waren stuk voor stuk omwentelingen die de westerse elite niet zag aankomen.

Nu, 30 jaar na 1989, is van de westerse euforie weinig over. De EU moet leren leven met de idee dat er ook landen zijn die niet in, maar uit de unie willen. De NAVO gaat door een existentiële crisis. Grootmacht VS heeft twijfel gezaaid over zijn betrokkenheid bij Europa, de president van het niet-onbelangrijke lid Frankijk noemde de alliantie deze week zelfs „hersendood”.

Westerse ideeën en de westerse verbanden staan ter discussie. In dat debat is het goed om voor ogen te houden dat 1989 voor veel Europeanen vrijheid en voorspoed betekende. De modellen die dat mogelijk maakten, democratie en kapitalisme, moeten gekoesterd en waar nodig gereviseerd worden. Rusland en China, Polen en Hongarije bieden geen geloofwaardig alternatief. Democratie, dat laten de afgelopen dertig jaar zien, vergt onderhoud, elke dag opnieuw.