‘We zijn toch een beetje buitenbeentjes’

Spitsuur Het leven van Leontien van Brummelen (43) en Aart van der Haagen (43) draait om klassieke auto’s en youngtimers. „Toen ik nog niet eens mijn rijbewijs had, had ik al een oude Amerikaanse Cadillac.”

Aart: „Onze meubels komen uit een tijd dat mensen oog voor kwaliteit hadden. We zijn wel selectief.”Leontien: „Het moet geen kringloop worden.”
Aart: „Onze meubels komen uit een tijd dat mensen oog voor kwaliteit hadden. We zijn wel selectief.”Leontien: „Het moet geen kringloop worden.” Foto’s David Galjaard

Aart: „Wat wij nu doen, hebben we nooit op school geleerd.”

Leontien: „Ik heb sinds januari dit jaar een garagebedrijf samen met een vriend, helemaal in de jaren 80-stijl, denk Miami Vice. We repareren klassieke auto’s en zogenoemde youngtimers. Auto’s van ‘het maakt niet uit hoe oud’ tot globaal het productiejaar 2000. We hebben palmbomen, flamingo’s, neonlichten. De meeste klassieke garages zijn toch een beetje van de roestige oliekannetjes en dat soort vintage dingen.”

Aart: „Jullie zijn goed in het scheppen van een sfeertje.”

Leontien: „Die vriend van mij en ik zijn, net als onze klanten, van die autogekkies. We doen ouderwets vakwerk. Voor dit bedrijf had ik tien jaar lang een garage voor bepaalde typen oude Citroëns, maar ik wilde graag verbreden.”

Aart: „Ik ben freelance journalist. Ik schrijf voor gespecialiseerde bladen, met name op het gebied van klassieke auto’s, youngtimers en autosport. Er zitten ook een aantal businessmagazines bij. Daarvoor schrijf ik bedrijfsadvertorials, het is een van mijn specialisaties geworden.”

Leontien: „Toen ik nog niet eens mijn rijbewijs had, had ik al een oude Amerikaanse Cadillac. Dat vond ik gewoon cool. Ik wilde geen auto-opleiding doen. Misschien omdat alleen bepaalde oudere auto’s me trokken. Ik had geen zin om de hele dag aan Opels te gaan staan trekken. Toen werd ik opticien.”

Aart: „Daarom draag ik altijd van die rare brillen.”

Leontien: „In 2007 leerde ik Aart kennen op een autobeurs. Hij had een kennis die altijd in een oude boerenschuur aan oude Citroëns sleutelde. ‘Die wil je vast het autovak leren’, zei Aart. Elke maandag was ik vrij bij de opticien, en werkte ik in die schuur. Na een jaar begonnen die man en ik zelf een bedrijf, mijn eerste.”

Aart: „Leontien is ook niet iemand om voor een baas te werken.”

Leontien: „Het vak is mooi, maar het consumentengedoe bij de opticien ging me tegenstaan. Klanten zien je toch als een winkelmeisje.”

Aart: „Ik heb dagen dat ik lekker tot negen uur in bed blijf liggen. En er zijn dagen dat ik er rond zeven uitga en gewoon begin met werken. Als ik heel vroeg gedisciplineerd aan de slag ben, zit ik zo lekker in mijn ritme. Dan kijk ik aan het eind van de dag of ik mezelf overtroffen heb qua prestaties.”

Leontien: „Ik sta rond half acht op, en begin om half negen bij de garage. Het is hier vlakbij. Als het mooi weer is ga ik op mijn oude sportfiets, of de Solex uit 1961.”

Alles perfect doen

Aart: „Wij helpen elkaar echt ondernemen, slepen elkaar er doorheen. Maar we zijn ook heel direct.”

Leontien: „Hij wil alles perfect doen. Ik zeg dan: niet iedereen is de hele dag met jouw stukje bezig. Meningen zijn hier vaak luid te horen.”

Aart: „Ik ben wel blij met die spiegel die ze mij voorhoudt. Ze heeft gelijk.”

Leontien: „Onbewust leer je van elkaar. Aart is een meester in efficiëntie.”

Aart: „Het meest extreme dat ik ooit heb gedaan is zeven reportages, in twee dagen. Plankgas en doorgaan.”

Leontien: „Schrijven wordt per uur niet dik betaald. Aart moet efficiënt werken. Hij zit altijd achter zijn bureau te tikken. Zijn werkdag is over als hij naar bed gaat.”

Aart: „Ik vind het lekker om te doen.”

Leontien: „Ik kijk ’s avonds graag een serie. Hij hoeft van mij niet met mij op de bank te zitten.”

Aart: „Als ik rust wil, gaan we uit eten. Het gebeurt zelfs nog wel eens dat ik weer ga zitten werken als we terug zijn.”

Oude caravan

Leontien: „Samen hebben we denk ik twintig auto’s.

Aart: „Nee minder. Jij hebt er zes, ik acht. Dus veertien. Ze staan in een stalling.”

Leontien: „We hebben elkaar ook gevonden in alle vintage meubels die we hebben. Het begon met onze oude auto’s en een oude caravan.”

Aart: „Op een gegeven moment hadden we een huishouden vol. Onze meubels komen uit een tijd dat mensen oog voor kwaliteit hadden. We zijn wel selectief.”

Leontien: „Het moet geen kringloop worden. In onze auto’s rijden we eigenlijk veel te weinig. De bijzondere modellen ga je niet iedere dag martelen.”

Aart: „Ik neem er ook wel eens eentje mee als ik een klus heb.”

Leontien: „En we zijn lid van een aantal autoclubs. Dan gaan we af en toe in het weekend naar een evenement.”

Aart: „Door die clubs hebben we een heel grote vrienden- en kennissenkring opgebouwd. Laatst hadden we een kampeerevenement van onze caravanclub. Als je daar komt, is iedereen gewoon een grote familie. Dan heb ik een topweekend. Mijn werk is dan mijlenver weg.”

Leontien: „Dat kan bij mij niet, mensen vragen altijd hoe het in de zaak is. Altijd. Voor sommige autoclubs zitten we in het bestuur of de pr-commissie. Dan organiseren we activiteiten of bouwen we beursstands op. Met hele shows eromheen, paaldansacts en zo.”

Aart: „Verder plannen we bezoeken aan vrienden liever niet te ver vooruit, dat vind ik benauwend.”

Leontien: „Dat is tegenwoordig wel lastig, iedereen wil alles heel ver van tevoren weten. En iedereen heeft kinderen. Wij heel bewust niet, trouwens. Omdat we vrij willen zijn in onze dingen. Maar veel vrienden hebben leuke kinderen, die komen gewoon mee.”

Aart: „We zijn toch een beetje buitenbeentjes, dat vinden ze interessant, een wereld die ze niet kennen.”

Leontien: „Aart en Leontien, met al die gekke auto’s, en dat rare huis.”